GUY CABANEL - HET VROUWELIJKE


Twintig verzen uit de cyclus Au Féminin

        met een tekening van Susana Wald





De godin van het dal sterft niet.

Voor ons is zij het ondoorgrondelijke  vrouwelijke.

            – Lao Zi, Het boek van de Tao





De avond vleit zich op je schouders neer,

de hemel gaat over in het overzeese

en de vogel die afkomstig is van de eilanden

strekt een vleugel over je borsten,

een bonzende vleugel maar

die even zacht is als mijn hand

die van verre al zou trachten

de maan te vatten in zijn vingers,

de maan die haar dwaze stralen

tussen je lippen wilde laten glijden.






Een traan, een druppeltje

zo zacht als een wolk,

wellicht een droom,

een schaduw in de nerven van

je gladde huid, een golfje

of een vleugel raakt je aan,

je zou die hand die langs zweeft

niet kunnen pakken maar de lucht

die bevolkt wordt door vliegentongetjes

voert je mee in een boot van lieve woordjes.






Een concert omwikkeld met

de dampen van de zomerlucht,

de fluiten laten

slangen vrij, de hoorns

blazen warmte uit, maar

de avondcicaden

hebben hun fee geroepen,

zij komt voorbij, een streepje

licht dat het vallend duister

zojuist gespleten heeft.




JAN LAUWEREYNS - VIJF GEDICHTEN UIT 'GOUDVIS GOUDVIS'




De syrinx, equivalent van de larynx, het strottenhoofd,

bevond zich aan het einde van de luchtpijp, minutieus
en supersnel gecontroleerd door de nodige spieren,

getrokken en gekneed tot de membranen trilden, en

daarmee de lucht, tot vogelzang, tot zuivere Gaspar van
Weerbeke, het ovaal venster beroerd, tussen midden- en

binnenoor, O, La stangetta, de figuur van het hart getroffen,

tot alles trilde, alsof het trillen besmettelijk was, in alle
stoffelijke en niet-stoffelijke dimensies, onweerstaanbaar,

verbum caro factum est, amen, het woord werd vlees, zelfs

wanneer de zebravinkjes sliepen, bleven hun neuronen in
vuur en vlam voor de eigen partituur, het rif ging door

met rifbouw, de waterklok droop, uit goudvis goudvis.


***


Prelude opus 28, nummer 4 in E-minor, er streelde

een wanhoop, zangerig, gelijkzwevend, losgelaten,
ergens in de diepte, ongehoord, de aarzeling

zweefde over haar rijstvelden, een midzomermiddag,

het uitspansel een bepaald azuur, de stenen brug,
oeroud, eerde het ogenblik, de belofte, een buiging

van water, een regenboog, voorspeld en verklaard,

en toch niet geheel begrijpelijk, Mai had haar obi
losgemaakt, haar buik een ballon, tot barstens toe

gespannen, ze kermde, de korenbloemblauwe yukata

viel open, ik schrok, niet van het glorieuze, weelderige
schaamhaar dat ik voor het eerst te zien kreeg, maar

van de waterval met goudvissen die eruit stroomde.


***


We werden veroordeeld tot eindeloos schuifelen

met water, in ladingen van zeventig liter, vervoerd
in een grote afvalemmer, antraciet, polyethyleen,

op een platformwagentje, eerst het vieze water

wegkappen, vier of vijf ladingen in het grasperk
aan de achterkant, waar het gras veel groener was,

en onkruid welig tierde, dan naar boven voor vers

water, de lift in, telkens de nutteloze veiligheidscode
intikken, eindelijk de opendraaibare tap bereiken,

en er met een zucht gebruik van maken, porties van

zeventig liter leken mij opeens belachelijk klein,
en van de weeromstuit nog veel gelukkiger leek mij

het repetitief op en neer voor doodgewoon water.


***

Ik, of beter mijn smartphone, begon een oproep,

nieuwsgierigheid, puur een eigenschap van de
machine, een adressenbestand, een vingertoets

activeerde een brandend beeld, een welbepaalde

reeks, exact elf cijfers, Curly antwoordde met
mogelijk een element van blijheid in de verrassing,

of vrolijkheid in het ongeloof, je belde, zo te zien,

ogen en oren woonden in elkaars buurt, waarom, 
het gebeurde niet zelden dat de schepping een

beweegreden gaf, laten we zeggen dat ik je stem

wilde horen, of die van Mai, die van Mai, of die
van jou, het doet er niet toe van wie, dat bedoel ik

niet, wie luisterde, sidderde, wat bedoel je dan?


***


Vijftig keer opdrukken, vijftig sit-ups, de adem

laten kalmeren, vijfentwintig bruggen, en nog eens
vijfentwintig sit-ups, en weer vijfentwintig bruggen,

zweet kwam, zweet drupte, achtenveertig graden

Celsius voor de douche, hoger kon het niet, er was,
als het ware, fluisterde het tussen mijn schouders,

de oneindige cirkel van het eeuwige heden, die geen

omtrek had, dus was elke daad van mijn borstkas
een middelpunt, waaruit het heelal straalde, naar de

verste uithoeken, geruisloos gleed wat ik losliet weg

in de wc, niet brekend maar glijdend in het water,
meteen de diepte in, een vlietend middelpunt waaruit

het heelal vluchtte, zonder het porselein te bezoedelen.


_____________________________
Bovenstaande gedichten zijn vijf ‘momenten’ uit een reeks van 52 gedichten, bestemd voor een vierdelige roman in wording. Van Jan Lauwereyns verscheen recentelijk de roman Iets in ons boog diep. Voor meer van en over Lauwereyns zie elders op Het Moment.

ANTON HAAKMAN - MET HITCHCOCK BOVEN DE AFGROND

Blik van Scottie (James Stewart) in Vertigo


de thriller
‘Of de put was erg diep, óf ze viel erg langzaam, want al vallende had ze alle tijd om rond te kijken en zich af te vragen wat er verder zou gebeuren.’
Lewis Carroll, Alice in Wonderland

De films van Alfred Hitchcock zijn stuk voor stuk gebaseerd op intriges die via omwegen leiden naar een gecompliceerde waarheid. Niemand heeft zulke misleidende films gemaakt als Hitchcock, de meester-labyrintmaker, de meester-verteller.
            Het filmgenre waarin de verteltechniek het duidelijkst bedoeld is om de toeschouwer om de tuin te leiden, is de thriller. In de geschreven thriller, de detectiveroman, gaat het meestal om een reconstructie: de lezer volgt met de verteller het parcours tussen misdaad en ontdekking van de schuldige. Deze vorm komt ook wel in films voor, maar Hitchcock heeft duidelijk gemaakt waarom hij zijn suspense verkiest boven het whodunit-genre (Wie is de dader?). Want als het publiek ook betrokken raakt bij de emoties van de tegenpartij en beurtelings het standpunt van de misleide en de misleider deelt, is de onzekerheid, de spanning het grootst. De ontknoping, het geheim waar alles om schijnt te draaien, het monster in het midden is voor hem irrelevant; het gaat hem uitsluitend om wat er onderweg gebeurt, om de grillige reis door een wereld van dingen die niet zijn wat ze lijken, om het uitstellen van de oplossing, om het manipuleren van de tijdsduur door de weg tussen vraag en antwoord zo lang mogelijk te maken of te laten lijken; door bijvoorbeeld het publiek ervan te verwittigen dat er een bom onder de tafel zit – vijf eindeloze minuten suspense in plaats van een tiende seconde surprise.
James Stewart in Vertigo

Hitchcock is een groot goochelaar; zijn films berusten op gezichtsbedrog; de dingen zijn niet wat ze lijken. Illusionisme is niet alleen zijn techniek maar ook zijn thema. Zowel zijn publiek als zijn helden worden misleid. Hij heeft de wijze waarop de toeschouwer zich vereenzelvigt met zijn personages uitgebuit om hem aan zijn stoel te kluisteren. Zijn films gaan over hoe zijn personages zich aan elkaar voordoen; hoe ze elkaar zien, meestal in een bedrieglijke context; hoe ze zich in elkaar verkijken. Tegelijk gaan ze over de wijze waarop het publiek zich in hen vergist, want na de toeschouwer te hebben misleid zal Hitchcock hem op een gegeven ogenblik ook met zijn neus op het feit drukken dat hij er weer is ingetuind.
            Uiteindelijk gaan Hitchcocks films dan ook over het soort films dat Hitchcock maakt.
            Het verhaal, de fictie van een film, ontstaat op de punten waarop het werk verschilt van de werkelijkheid. Bij Hitchcock-op-zijn-best is bijna alles maakwerk, fictie. Iedere vierkante centimeter van het doek is berekend, alles wordt nauwgezet volgens plan uitgevoerd – behalve dan de gezichtsuitdrukking van de acteurs, want die is nooit helemaal te berekenen. Hitchcock heeft zijn beste films in de studio gemaakt. Moest hij iets op locatie opnemen, dan deed hij het gewoonlijk zo dat ook daar alles fictief leek, met geschilderde achtergronden en na een grondige manipulatie van het ter plaatse aanwezige licht.
            Wanneer Hitchcock geïnterviewd wordt, draait hij een verhaal af dat hij al vaak verteld heeft; het wijst duidelijk op een mythomanie die zich ook uitstrekt over zijn eigen verleden. Als iemand probeert door de mythe die Hitchcock van zichzelf wil maken, heen te breken, stuit hij op technische gegevens en constateert teleurgesteld, dat met Hitchcock alleen min of meer serieus te praten valt over techniek, en nooit over iets hogers of diepers. Alleen over de fysieke kanten van zijn films.
            Voor een aantal vaderlijke critici is dat een reden om hem te beschouwen als een naïef genie, een vertederend soort zondagsschilder die zelf niet weet wat voor moois men hem onder de handen vandaan haalt. Zo schreef George Sadoul in zijn Dictionnaire des cinéastes dat veel van zijn films in Frankrijk dienen als ‘auberges espagnoles’ waar jonge cinefielen datgene consumeren wat ze zelf hebben meegebracht. Hij doelde op Chabrol, Truffaut, Rohmer. Hitchcock zelf heeft zich altijd buiten deze discussie gehouden, maar het is duidelijk dat hij en zijn scenarioschrijvers zich in ieder geval al lang rekenschap geven van het soort obsessies waaraan elk van hun films uiting geeft. Vertigo bijvoorbeeld is een geraffineerd maniëristisch meesterwerk, een web van complicaties, het werk van een Daedalus. Wat belangrijker is: de obsessies liggen al in het genre dat hij beoefent, besloten. Dat werd duidelijker naarmate Hitchcock het vak van thrillermaker, raadselmaker meer en meer ging beheersen. Afgezien van dit alles, er bestaat geen tweede filmer die zoveel gelegenheid tot interpretaties op allerlei vlakken biedt; dat moet ook al een aanwijzing zijn.

voor en na de val
Eve-Marie Saint en Gary Grand  in North by Northwest
Het procedé waar Hitchcock beroemd mee is geworden, heet suspense. Wat is dat? Webster geeft als betekenissen onder meer: 1. State of being suspended (opgeschort, opgehangen); 2. Mental uncertainty; anxiety.

ANNE-MARIE BEECKMAN - VOORTEKENEN



Vertaald uit het Frans door Laurens Vancrevel

Met een collage van Laure Missir


Een doos van vlees
– Leeft er iets in de jagerstas van de prins?
Een raaf haakt in mijn lies, ik wacht op de verhuizer.

           
De lucht trilt zachtjes onder het gebladerte.
Draaitol van zijde, die schat. Ik zou al vertrokken zijn waarheen dan ook.
Het dons had zijn loop in de kussens van het bloed.
– Op de kont van de ruiter?

Wat voor geluid is dat, dat is de draaibank van refreinen.
Aha! bezaaid met listen en lagen onder mijn sloffen...
Ik beweeg geen spier.
Een snik onder de vleugels.

           

De gekkin was vastgebonden, ze trok aan haar banden.
– Ik heb haar linten gevonden!
Ik had het over touwen.
Haar vochtige haren hebben haar volkomen verborgen.
Sporen van vechtpartijen, haar jurk is roestig,
ik was bang dat ze zou gaan schreeuwen.

           

Een purperen verschijning.
Een heldere bron.
Ik hoor een paard dat roept. De jonker strijkt zijn veren.
In zijn handen de slankste leesten.
Ondersteuning van het lijfje  door een ijzeren korset, scharlakenrode koninginnen.
En met de valken de ruïne.

           

Havenhoofd.
Een werpspies van wol.
Een brug van touw.
Handgrepen van zout
op de kinnebak van de geit.

           

Moed vol kracht en bitterheid.
Stalknecht!
Jij bleke deegsliert!
De hemel gaat liggen, let op de dozen.

           

Somber is het overdag en ’s nachts is het rossig,
het beest dat de jachtmeester kent komt eraan.
In de doodkist ligt de blauwe merrie. De bruidegom in alle hemelen.
Ze geven mij een geweer.
– Schiet!
Het graf wordt gevuld.

           

Ik wil het harige vel zo graag voelen.
– Een keertje dan, ja.
Op de witte buiken van de edelvrouwen liggen mijn onthoofde handen.


________________________

Over dit gedicht

Anne-Marie Beeckman (*1952, Vic-en-Bégorre, in de Pyreneeën) begon pas in 1992 haar poëzie te publiceren, daartoe aangespoord door haar minnaar, de bekende surrealistische dichter Pierre Peuchmaurd (1948-2009). Haar ongewone gedichten vielen op in de verschillende poëzie-reeksen waarin zij zijn verschenen. Kenmerkend voor Beeckmans werk is het gebruik van associaties, klankrijmen, alliteraties,  beeldrijmen – kortom allerlei a-logische taalfiguren die samen een sterke vervreemding en verwondering teweeg kunnen brengen. Haar eerste omvangrijke dichtbundel, Le Vestiaire des vagues, verscheen in 2001 bij de poëzie-uitgeverij Atelier de l’Agneau. Samen met Peuchmaurd richtte zij in 1994 het tijdschrift Le Cerceau op, dat in ruim vier jaar voor hen beiden en veel Franse dichters een ongeremd feest van het poëtische experiment is geweest. Latere bundels zijn o.a. Les boîtes trembleuses (2004), Les peintures (2004) en Imagerie d’Épinal (2015). Het gedicht Présages, hier vertaald als ‘De voortekenen’, verscheen afzonderlijk in 2010 bij de bibliofiele uitgeverij ‘Éditions des Deux Corps’, die wordt geleid door de schrijfster en kunstenares Laure Missir.


Anne-Marie Beeckman heeft haar familienaam te danken aan haar Vlaamse grootvader, die als jongeman zijn streng katholieke familie in België ontvluchtte, en die daarna nooit enig contact meer heeft opgenomen met zijn schrikwekkende zusters, die zich verschanst hadden in hun nonnenkappen. Anne-Marie heeft dan ook nooit de behoefte gevoeld haar Vlaamse verwanten te leren kennen. Zij woont in Sauillac-sur-Célé in de Auvergne. (Laurens Vancrevel)


D. HILLENIUS - GEDICHTEN




tournure à mineur

De pad van mijn lief
heeft een worm opgegeten
een worm van ver uit Itaalje.

De pad van mijn lief
heeft toen breedbeks gelachen
brede wratten bekrabd
breed in bad uit gaan zitten

De pad van mijn lief
met zijn breedgouden ogen…
Helaas: die worm uit Itaalje.


            ***


Kameleons zijn kleine leeuwtjes
met kleurverveling
hun lijf is mager met hoorntjes
van het takbelopen
hun tong is een verwende
inhaalvinger
hun handjes zijn grijphandjes
tot in hun staart en voeten
alleen hun ogen zijn spitse gokspelen
met arme vlinders


            ***

de vorm is een masker van verleiding

Het meisje kreunde als zij mij op afstand zag
haar armen als in kinderdans verwachting
haar jurk een los rood hemd over de schouders
naderde onwillig getrokken
mond wijd, ogen van aanstaande pijn
diep plezier greep mij om t midden
de brandklok luiden
kinderen strooien als vlokreeften in de groene wieren

zwaar gek is Maria, zei haar vader
nam haar bij de hand
en van mij weg


            ***

vergissing

Vergissing van de wind
brak een klein wak in de winter
op dit wachtwoord koerden de duiven
hun eigenwijze rhythme
dat midden in een zin eindigt
spreeuwen imiteerden vogels
die er nog niet konden zijn
er waren direct geuren
goed bewaard gebleven
in nu verloste ijsbloemen

de dooi eindigde midden in een zin
de wet vatte de draad weer op
die even was gevallen


            ***

overal dezelfde taal

ik dacht in de avond:
een constante vliegmachine
maar het waren honderden grote kevers
gonzend tussen de takken van dennen
nu hoorde ik het weer op klaarlichte dag
het was een lelijke grote man
in de smalle schaduw langs de rivier
heen en weer lopend
een kind wiegend in de armen, neuriënd


            ***

f’s rivier

de stroom
ik zit al dagen bij de stroom
te kijken of ik iets kan vangen
niet als een hengelaar
(ofschoon een goed idee
verbinding door een draad)
maar wachtend op een princiep
dat er moet zijn
ik heb erin gezwommen
slap mee laten slepen
ook s nachts ben ik gebleven
maar de kleine rivier
– heel fraai in maanlicht–
gaf geen antwoord
bleef stromen, stromen


            ***

moedervlek

Significant: een babyhaar
dat om een salamanderei
wordt aangesnoerd
maakt daarvan twee

de vlek die op mijn pols aanduidt
een gelijk broertje van me dat geen kansen kreeg
– de babyharen lus lag te ver van de evenaar –
zoals de Rijn per ongeluk nu bij Rotterdam de zee instroomt
in plaats van – wat toch aardig wezen zou – bij Socoa
de helften van Europa zouden anders zijn
niet staande tegenover, maar liggend op elkaar
pijn anders verdeeld, misschien plezier
de talen zouden anders lopen, andere talen zelfs
alles zou anders zijn, toch op ons lijken
als nu verdrukte tweelingen
de lus bijtijds verschuiven
en een complete andere wereld vinden
vanuit wat nu een vlek


Bovenstaande gedichten worden hier gepubliceerd met vriendelijke toestemming van © Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam.
________________________
D. (Dick) Hillenius (Amsterdam 1927 – 1987) was als conservator reptielen en amfibieën verbonden aan het Zoölogisch Museum van de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast was hij publicist en dichter.
Zijn Verzamelde gedichten zijn verschenen bij Uitgeverij G.A. van Oorschot in een boekuitgave die nog steeds verkrijgbaar is.