MAARTEN VAN BUUREN - HET GROTESKE LICHAAM BIJ WITOLD GOMBROWICZ

Affiche door Wieslaw Walkuski
           Het klassieke lichaam en de vorm

Wat is eigenlijk ‘vorm’? Het valt niet mee om op die vraag te antwoorden omdat ‘vorm’ in feite alles omvat waarmee de mens zich naar buiten toe manifesteert: zijn manier van zijn, van voelen, denken, spreken, handelen, zijn cultuur, ideeën, ideologieën en overtuigingen. Die denk- en handelingspatronen worden niet bedacht door het individu, het zijn structuren die buiten hem bestaan en die hem voor een groot deel bepalen (de parallel met het structuralisme van Foucault en Lacan ligt voor de hand). Gombrowicz meent dat deze objectieve ‘vorm’ de mens geweld aandoet:

‘het menselijk wezen uit zich niet direct en in overeenstemming met zijn natuur, maar steeds in een bepaalde vorm, en die vorm, die stijl, die zijnswijze komt niet alleen voort uit onszelf maar wordt ons van buitenaf opgedrongen.’[1]

De mens wordt voortdurend heen en weer getrokken tussen het verlangen zichzelf gestalte te geven en het daaraan tegengestelde verlangen om de eenmaal ontstane, en dus beperkende vorm te vernietigen.

‘Het werkelijk beslissende gevecht, het hevigste en meest genadeloze wordt in onszelf gevoerd tussen onze twee fundamentele tendensen: de tendens die streeft naar vorm, gestalte, omlijning en de andere tendens die de vorm ontkent en afwijst.’[2]

Vandaar dat Gombrowicz’ houding ten aanzien van de vorm ambivalent is. Enerzijds accepteert hij hem als een onvermijdelijk kwaad, anderzijds verzet hij zich furieus tegen de beknottende, verstarrende invloed die de vorm uitoefent. Die ambivalentie blijkt bijvoorbeeld uit een commentaar op hoofdpersoon Jozio uit Ferdydurke.

‘Wat is dat voor iemand, die held uit Ferdydurke? Innerlijk is hij niets dan gisting, chaos, onrijpheid. Om zich naar buiten toe te manifesteren, vooral ten overstaan van de andere mensen, heeft hij de vorm nodig (ik versta onder “vorm” alle manieren waarop wij ons manifesteren, zoals het woord, de ideeën, de gebaren, de beslissingen, handelingen, enz.). Maar deze vorm beperkt hem, verminkt en misvormt hem. Aangezien hij zich uitdrukt met behulp van een reeds gevestigd apparaat van houdingen en zijnswijzen is hij altijd vals, voelt hij zich acteur.’[3]

De enige manier om aan de vorm te ontkomen is dan ook te streven naar het onvolkomene, het lage, minderwaardige, onvolwassene, kortom naar de onrijpheid. Die ontwikkeling van vorm naar onrijpheid bepaalt onafwendbaar het lot van alle Gombrowiczpersonages.
            Hoe staan nu vorm en onrijpheid in verband met het klassieke en het groteske lichaam? Ik kan dat het beste duidelijk maken aan de hand van een voorbeeld. Aan het begin van het verhaal Maagdelijkheid worden twee personages gepresenteerd die elk op eigen manier gekenmerkt worden door hun ongereptheid. Carla, een welopgevoed meisje van goeden huize is in alle opzichten maagd. Ze behoort tot die

‘speciale categorie van afgesloten, geïsoleerde, onwetende, door een zeer dunne wand beschermde schepselen. Zij beven in angstige verwachting, zij zuchten diep, zij beroeren zonder door te dringen, afgescheiden van alles wat hen omringt, afgegrendeld tegen de laagheid, verzegeld.’

Paul, een jonge officier, haar verloofde, vertegenwoordigt van die ongereptheid de mannelijke variant:

‘Eer daarentegen, moed, waardigheid, pittigheid, dat zijn de eigenschappen van de mannelijke maagdelijkheid.’

In die situatie komt verandering na een ogenschijnlijk onbelangrijk incident. Als Carla zich op zekere dag in de tuin bevindt gooit een zwerver vanaf de tuin muur een steen in haar richting. Hoewel ze niet ernstig wordt geraakt heeft het gebeuren een diepe uitwerking. Carla realiseert zich opeens dat er buiten de tuinmuur een wereld van laagheid en minderwaardigheid bestaat en dat besef betekent het verlies van haar onschuld (de toespelingen op het paradijsverhaal zijn hier en elders in het verhaal onmiskenbaar). Ze voelt zich onbevredigd: ‘iets in de tuin kwelt me, de rozen, de muur, de witheid van mijn jurk’[4], en ze verlangt naar de smerigheid die ze buiten de tuin veronderstelt. Aanvankelijk uit zich dat verlangen in kleine perversiteiten: ze slurpt van haar thee, pleegt kleine diefstalletjes, pijnigt een dier, maar al snel is de verwording niet meer te stuiten. Ze troont Paul mee naar een berg vuilnis en aan het eind van het verhaal kruipen ze daar halfnaakt op rond terwijl ze als honden aan een bot kluiven.
            Met deze groteske scène wordt de omkering voltooid van het klassieke lichaamsbeeld (gesloten, ongerept) dat aan het begin van het verhaal de verheven gevoelens, idealistische denkbeelden en hoge gedragscode symboliseerde.
            Illustratief voor die symboolwerking is de tweeduidigheid van de termen die in dat verband gebruikt worden. Woorden als ‘omlijning’, ‘definitie’, ‘vorm’ verwijzen zowel naar abstracte denk- en gedragspatronen als naar een zeer fysieke begrenzing. In de beschrijving van Zutka (Ferdydurke), een meisje dat zich conformeert aan het cliché van wat Gombrowicz noemt de ‘moderne lyceïste’, verwijst het woord ‘vorm’ en alle daarbij behorende varianten: ‘gesloten’, ‘contour’, ‘scheidslijn’ zowel naar het cliché als naar de lichamelijke begrenzing die ermee samenhangt:

‘– nog steeds was ze hermetisch gesloten en ongenaakbaar; een duivelse zaak, die scherpe en precieze contour van de menselijke vorm, die koude scheidslijn– de vorm!’[5]

Zutka staat model voor de vele personages wier aanvankelijke onaantastbaarheid onder invloed van voortdurende provocatie wordt vernietigd. De hier geciteerde beschrijvingen zijn illustratief voor de beginfase van dat proces. Het personage valt daarin grotendeels samen met de vorm waarin het zich presenteert. De innerlijke onrijpheid, zo al aanwezig, heeft de aard van wat Nathalie Sarraute ‘tropismen’ zou noemen: onbewuste reflexen, die nauwelijks tot het bewustzijn doordringen. Pas in de daaropvolgende fase wordt de innerlijke vertroebeling aangewakkerd die ertoe leidt dat de naar buiten gepresenteerde vorm steeds kunstmatiger en krampachtiger wordt; de vorm degradeert daarbij tot maskerade waarachter zich het ware innerlijk verbergt. Eén van de kenmerken van die verwording is de ontwikkeling van het gezicht tot ‘smoel’. Met die term geeft Gombrowicz de onwaarachtige vorm aan die de mens als masker krijgt opgedrukt. ‘Ach,’ roept Jozio in Ferdydurke uit,

‘ik ken niets wreders dan een mens die iemand anders een smoel fabriceert. Hij vindt alles goed als hij die ander maar in het belachelijke, in het groteske, in de maskerade kan storten.’[6]

Jozio beklaagt zich in deze passage over het feit dat hij als dertigjarige door Zutka gevangen wordt gehouden in het smoel van een schutterige puber. In De Pornografie oefent Fryderyk een vergelijkbare invloed uit op Watslaw, een aankomend advocaat die hij reduceert tot pure vorm, tot een façade, waarachter in Watslaws geval uitsluitend leegte schuilgaat. Watslaw wordt door Fryderyk uitgehold; hij kan de vorm alleen ophouden door zich te verbergen achter zijn kleding:
‘dat lichaam had behoefte aan een boord, knopen, zakdoeken en zelfs aan een hoed, het was een lichaam in bottines, dat volstrekt een aanvulling van toiletartikelen en confectie eiste.’[7]


Kleding en uniform

Kleding vormt een belangrijk onderdeel van de geslotenheid. Personages die leeg zijn, zoals Watslaw, of te onrijp om enige vorm te hebben aangenomen, verbergen hun vormloosheid achter de kleding die ze dragen. De tegenstelling tussen vorm en het ontbreken van vorm wordt in het werk uitgebreid gethematiseerd in de oppositie kleding/naaktheid. Wanneer Fryderyk Watslaws vorm heeft ontmaskerd roept deze uit:

‘Ik sta naakt! Hoe naakt voel ik me! Mijn God! Ze hebben me uitgekleed! Ik, op mijn leeftijd moet niet meer naakt zijn!’[8]

Het toneelstuk Operette is helemaal gebaseerd op deze tegenstelling. In de regieaanwijzing tot het stuk stelt Gombrowicz:

BREYTEN BREYTENBACH - DE DOOD IS EEN OVERDRIJVING (EEN KLEINE REIS)

een gedenkbrief aan opa Leven

[verzen uit een recente cyclus]



Leonard, makker,

Er zit een lover in het verhaal
Maar het is hetzelfde oude verhaal
Het is een slaapliedje voor de pijn
En een kikker voor het doosje
Maar het is ook geschreven
En niet alleen in de wind
Je wilt de nacht verblinden
Wij blussen de vlammentong


Brengt sterven ooit verlossing? De dood is wel een oplossing, een oplos-zang, maar ook een toestand – als je bedekt wordt met aarde, wordt ondergespit, of als de weefsels (de gortepap en de aorta, het woord en wat het oog gezien heeft) verknetteren tot as en brokjes bot wordt. Dood-gaan, de verwording die een proces is, blijft die reis ons bij? En wanneer het zijn in schijn verdwijnt? Bewust zijn is immers mee nemen. Daarna zijn er nog slechts de gezichten die we proberen vast te pennen in gedichten...


            ***


je zult me moeten vergeven
ik zal niet lang genoeg leven
(niemand leeft ooit lang genoeg)
met dat ontglippende vasthouden aan helderheid
opdat recht wordt gedaan
ook al was dat alleen maar het noemen ervan
aan alle doden

de geraamten blootgelegd
de lijken die uitpuilen boven de aarde
de ledemaatloze lijven
het gefluit in de bomen
de geraamde gezichten
die, geborgen tussen bladeren,
niet begraven zullen worden
zij wier woorden wormen zijn
zij die herdacht hadden moeten zijn

om nog geeneens de levenden te noemen

zij die op de deuren kloppen
zij die hun handen afvegen
zij die gebaren maken achter de ramen
zij die over paden lopen
zij die in lenzen staren
zij die in bomen zitten te fluiten
de gebrekkigen
zij die applaudisseren
...

gezien?
ik kon het niet vast blijven houden


            ***


waar moet ik de woorden halen
om die te tellen en te stippelspellen op de schaal
die het kantelpunt van nacht naar dag bepaalt

het gedicht is de vrucht van duisternis, enbij daglicht
het gezicht dat te koud en te kaal is
om te reizen door het donker te onthouden?

maar ook dat wat opweegt
tegen het vergeten: het geijkte evenwicht
van een vel papier: jij en ik

bewustzijnsvloeiblad
lappendeken
met woorden garen spinnen
en vervolgens de schaduwvormen
van het patroon vastnaaien
in het water


            ***


intens bewust van dit lichaam,
log zoals het door de ruimte
beweegt, met het ongemak van een slak
overdag, als het licht het donker
buiten knipt, ’s nachts als de stok van een blinde
tok-tok door het duister
bewusteloosheid                           stukken van buiten
bereik en niet meer bekend

dromen bijleggen
bomen afzeggen
die drijven in het gesuis van
de zoomloosheid die slaap kan zijn

om nooit meer te trappen tegen het leven


            ***


“it is called grieving for the present”

(“longing for ancient times and grieving for the present,
my heart is exhausted”
 – Ryokan, Reading the Record of Eihei Dogen )

nu weet je wat het is
om dood te gaan:
dat alles en allen en dit en dat
voor wie jij dierbaar was
zonder je daarvan bewust te zijn
sterven zouden terwijl jij nog leeft

en nu terug komen in muziek
de kortstondige bladerbeweging
tussen kijken en zien
het randje van een lachje
over de dwaasheid van het leven

nu weet je hoe het is
om te leven:
dat alles en allen en dit en dat
voor wie jij dierbaar bent
er niet van willen weten maar ze weten
dat zij zullen leven terwijl jij nog sterft


            ***


ik droomde dat ik de onderwereld bezocht
waar de schedels van de dichters in grote zalen
worden bewaard

de ene netjes naast de andere
allemaal ontstellend afgerond
in dezelfde glimmende afwezigheid

chronologisch uitgestald op rekken
die in een halfdonkere oneindigheid
van stille herdenking verschieten

hier en daar de rode geschiedenisstempels
alsof een kwaadaardige levensblaar
nog aan de verrotting van het vlees

wilde vastkleven maar geen spoor
van wormen of rimpels
of liefde kan achterlaten

de gids kijkt strak naar mijn voorhoofd:
houd het kort en duidelijk alsjeblieft
voor niemand leesbaar

want ook ogen die nu een bestaan
moeten inpassen in de donkere wonden van de tijd
zullen niet meer zijn dan holten


            ***


als de zomer voorbij is
en het land is leeggelopen
van mensenstromen
stil en diep naklinkend met nadenken
in grijs en roest

dan hebben de wolken de vrijheid van het land
om schip te spelen, of kasteel of schaap
of zomaar net een handvol aanwezigheid
statig en vol... drachtig is het woord
zoals wanneer de oma’tjes
naar de markt gaan... en slechts het kantwerk
aan de slip van een onderrok
eraan herinnert dat ze eens
hoeren waren

_________________
voetnoot:
{in de wordingsplaats
bezit ‘woord’ zowel
de dimensie van ‘droom’
als de schaduw van ‘moord’

is de betekenis (ook bijna ‘teken’)
besloten in het woord
of is het woord (slechts) de richtingaanwijzer –
de ‘predikant’ als het ware?

en voorts: maakt geschiedenis betekenis
of wordt die daarmee bezoedeld?
en zou betekenis zonder vervuiling
kunnen overleven in de bongerd van verwording?}


            ***


de dag daalt scherp
de aarde zal nog somberder zijn
de luchtlijn is recht rondom
waar de wolken al gaan liggen
in roze en lichtpaars beddengoed
alsof ze verliefd zijn
zal dit voorspel samenbinden
als het donker wordt

in een donkere wijngaard
heb ik een brandstapel zien opvlammen
de dans van de vonken en een vocaal rooksignaal
en een zwerm dartelende vogels
gedompeld in het donker
bevrijd in het licht
vervlochten in het wilde dodenvuur
van zingende spiegelscherven


            Vertaald uit het Afrikaans door Laurens Vancrevel
_________________
De cyclus “die dood is ’n oordrywing” (’n klein reis) is op 22 november 2016 geplaatst op het poëzie-blog www.versindaba.co.za.
Het geschilderde portret van Leonard Cohen is van Breyten Breytenbach.
Op 18 april 2017 zal bij Uitgeverij Podium zijn tweetalige bundel De zingende hand verschijnen met een keuze uit zijn werk van de afgelopen twintig jaar.


JOHN FULLER - HOUDINGEN IN BED

Beknelde hand, koude schouder, knieën op elkaar geplakt:
Er zijn ’s nachts lange periodes waarin de slaap
Ongemakkelijke poses aflevert.
Het lijkt zinnig je erin te schikken:
De schenen wat scheef over elkaar, de ene wreef
Op het andere enkelbot,
Een arm dwars over de borst, de vingers
Geplooid als tot een epaulet, de kin
Als voor een scheerbeurt geheven op het kussen.
Of het risico van het indolent snurklustig achteroverliggen,
Een been tot een hoek opgetrokken, een arm
Over het smachtend gefronste voorhoofd.
Of scharrend, scharrend, zo veel
Bedruimte in beslag nemend als je durft,
Een pols over de rand van de matras.
Dat zijn allemaal aannemelijke houdingen,
Zelfs als we opeens ergerlijk
Wakker liggen en de tijd hebben
Om ze, echt afgeleverd inderdaad,
Te kunnen bestuderen, bang
Te bewegen en onze bedgenoot te wekken.

Hoe moeten we dan onze volledige
Vergetelheid zoeken? Op kruisvaarderswijze?
Met gekruiste enkels en biddende handen?
Of in kiststijl, met volstrekte kalmte,
In een horizontaal wachthuisje,
Regelrecht in de houding liggend?
Het punt bij deze lichamelijke
Gesteldheden is hun beperkte
Variatie en denkelijk ongemak.
Eigenlijk moeten we een arm minder hebben,
Een driewegsok aanschaffen voor
De enkels, een matrashol voor de heup.
Bedenk: het schikken van het lichaam
Is een noodzakelijke opmaat
Voor de nachtelijke overzetting ervan.
Misschien dat we op een ochtend
Blijken weg te blijven voor des lichaams
Vermoeiend appèl, niet teruggekeerd
Van de woeste ontmoetingen die we zoeken
En met niets anders van ons over dan pose,
het verfomfaaid relict van rusteloosheid.


            Vertaling Huub Beurskens – © John Fuller (met dank)
_____________________
‘Houdingen in bed’ is een vertaling van ‘Positions in Bed’ uit de poëziebundel Ghosts, Chatto & Windus, Londen 2004.
John Fuller (1937) schrijft o.a. poëzie, proza en essays. Hij heeft meer dan twintig gedichtenbundels op zijn naam staan en schreef A Reader’s Guide to W.H. Auden. In 1968 riep hij de Sycamore Press in het leven. Fuller gaf les aan verschillende universitaire instellingen. Hij is Fellow Emeritus aan het Magdalen College, Oxford. Zie verder: http://www.johnfuller-poet.com/biog.htm


GUY CABANEL - HET VROUWELIJKE


Twintig verzen uit de cyclus Au Féminin

        met een tekening van Susana Wald





De godin van het dal sterft niet.

Voor ons is zij het ondoorgrondelijke  vrouwelijke.

            – Lao Zi, Het boek van de Tao





De avond vleit zich op je schouders neer,

de hemel gaat over in het overzeese

en de vogel die afkomstig is van de eilanden

strekt een vleugel over je borsten,

een bonzende vleugel maar

die even zacht is als mijn hand

die van verre al zou trachten

de maan te vatten in zijn vingers,

de maan die haar dwaze stralen

tussen je lippen wilde laten glijden.






Een traan, een druppeltje

zo zacht als een wolk,

wellicht een droom,

een schaduw in de nerven van

je gladde huid, een golfje

of een vleugel raakt je aan,

je zou die hand die langs zweeft

niet kunnen pakken maar de lucht

die bevolkt wordt door vliegentongetjes

voert je mee in een boot van lieve woordjes.






Een concert omwikkeld met

de dampen van de zomerlucht,

de fluiten laten

slangen vrij, de hoorns

blazen warmte uit, maar

de avondcicaden

hebben hun fee geroepen,

zij komt voorbij, een streepje

licht dat het vallend duister

zojuist gespleten heeft.




JAN LAUWEREYNS - VIJF GEDICHTEN UIT 'GOUDVIS GOUDVIS'




De syrinx, equivalent van de larynx, het strottenhoofd,

bevond zich aan het einde van de luchtpijp, minutieus
en supersnel gecontroleerd door de nodige spieren,

getrokken en gekneed tot de membranen trilden, en

daarmee de lucht, tot vogelzang, tot zuivere Gaspar van
Weerbeke, het ovaal venster beroerd, tussen midden- en

binnenoor, O, La stangetta, de figuur van het hart getroffen,

tot alles trilde, alsof het trillen besmettelijk was, in alle
stoffelijke en niet-stoffelijke dimensies, onweerstaanbaar,

verbum caro factum est, amen, het woord werd vlees, zelfs

wanneer de zebravinkjes sliepen, bleven hun neuronen in
vuur en vlam voor de eigen partituur, het rif ging door

met rifbouw, de waterklok droop, uit goudvis goudvis.


***


Prelude opus 28, nummer 4 in E-minor, er streelde

een wanhoop, zangerig, gelijkzwevend, losgelaten,
ergens in de diepte, ongehoord, de aarzeling

zweefde over haar rijstvelden, een midzomermiddag,

het uitspansel een bepaald azuur, de stenen brug,
oeroud, eerde het ogenblik, de belofte, een buiging

van water, een regenboog, voorspeld en verklaard,

en toch niet geheel begrijpelijk, Mai had haar obi
losgemaakt, haar buik een ballon, tot barstens toe

gespannen, ze kermde, de korenbloemblauwe yukata

viel open, ik schrok, niet van het glorieuze, weelderige
schaamhaar dat ik voor het eerst te zien kreeg, maar

van de waterval met goudvissen die eruit stroomde.


***


We werden veroordeeld tot eindeloos schuifelen

met water, in ladingen van zeventig liter, vervoerd
in een grote afvalemmer, antraciet, polyethyleen,

op een platformwagentje, eerst het vieze water

wegkappen, vier of vijf ladingen in het grasperk
aan de achterkant, waar het gras veel groener was,

en onkruid welig tierde, dan naar boven voor vers

water, de lift in, telkens de nutteloze veiligheidscode
intikken, eindelijk de opendraaibare tap bereiken,

en er met een zucht gebruik van maken, porties van

zeventig liter leken mij opeens belachelijk klein,
en van de weeromstuit nog veel gelukkiger leek mij

het repetitief op en neer voor doodgewoon water.


***

Ik, of beter mijn smartphone, begon een oproep,

nieuwsgierigheid, puur een eigenschap van de
machine, een adressenbestand, een vingertoets

activeerde een brandend beeld, een welbepaalde

reeks, exact elf cijfers, Curly antwoordde met
mogelijk een element van blijheid in de verrassing,

of vrolijkheid in het ongeloof, je belde, zo te zien,

ogen en oren woonden in elkaars buurt, waarom, 
het gebeurde niet zelden dat de schepping een

beweegreden gaf, laten we zeggen dat ik je stem

wilde horen, of die van Mai, die van Mai, of die
van jou, het doet er niet toe van wie, dat bedoel ik

niet, wie luisterde, sidderde, wat bedoel je dan?


***


Vijftig keer opdrukken, vijftig sit-ups, de adem

laten kalmeren, vijfentwintig bruggen, en nog eens
vijfentwintig sit-ups, en weer vijfentwintig bruggen,

zweet kwam, zweet drupte, achtenveertig graden

Celsius voor de douche, hoger kon het niet, er was,
als het ware, fluisterde het tussen mijn schouders,

de oneindige cirkel van het eeuwige heden, die geen

omtrek had, dus was elke daad van mijn borstkas
een middelpunt, waaruit het heelal straalde, naar de

verste uithoeken, geruisloos gleed wat ik losliet weg

in de wc, niet brekend maar glijdend in het water,
meteen de diepte in, een vlietend middelpunt waaruit

het heelal vluchtte, zonder het porselein te bezoedelen.


_____________________________
Bovenstaande gedichten zijn vijf ‘momenten’ uit een reeks van 52 gedichten, bestemd voor een vierdelige roman in wording. Van Jan Lauwereyns verscheen recentelijk de roman Iets in ons boog diep. Voor meer van en over Lauwereyns zie elders op Het Moment.