DONALD NIEDEKKER - DROMEN VAN LOUISIANA



twee fragmenten

Alleen Suzanne heb ik in vertrouwen genomen over mijn plan ondergronds te gaan.
            Ik wilde niemand met die kennis belasten, maar voor Suzanne kon ik het onmogelijk verzwijgen.
            We zaten in de tuin. Suzanne maakte vlechten in m’n haar. Ze was gek op m’n lange blonde haren. Zelf droeg ze haar springerige, niet in model te krijgen donkerblonde haar halflang.
            ‘Nee, een paardenstaart!’ riep Suzanne. ‘Een paardenstaart staat je vandaag beter.’
            Ze ging weer achter me zitten, haalde de vlechten uit en vlocht met watervlugge vingers een staart.
            De haan krabde bij de struiken voor de hennen de grond open, die prompt in de aarde begonnen te pikken. De haan schudde zijn veren, strekte zijn poten, rekte zich uit, stak zijn snavel in de lucht en begon te kraaien.
            Suzanne was klaar met de staart, ging voor me zitten, keek me met haar kastanjebruine ogen aan en riep: ‘Nee, vlechten!’
            Ik liet haar begaan. Ik vond het heerlijk hoe ze bij het vlechten met haar borst tegen m’n rug leunde. Ik voelde haar adem in mijn bijna altijd bezwete nek.
            Het was de zomer na het examen. Haar ouders waren met haar jongere broers aan het kamperen in Frankrijk. Suzanne ging Nederlands studeren. Ik wist dat ze schreef. Ze hield het verborgen, maar ze had onder pseudoniem in een literair tijdschrift gedichten gepubliceerd. Ik had me ook aan de universiteit ingeschreven, voor de studie geschiedenis. Zo strooide ik m’n ouders zand in de ogen en gunde ik me een paar maanden uitstel. Maar mijn keuze stond vast.
            ‘Suzanne,’ zei ik, ‘ik denk dat ik ondergronds ga.’
            Haar vingers bevroren.
            Ik hoefde niet uit te leggen wat ik bedoelde met ondergronds gaan. In de actiebus hadden we vaak genoeg gediscussieerd over meer gewelddadige vormen van verzet. Suzanne was tegen elke vorm van geweld. Demonstreren, leuzen roepen, met een vlag zwaaien – verder ging ze niet.
            Suzanne ging tegenover me op de stretcher zitten.
            Haar gezicht was asgrauw.
            ‘Ik heb al een paar keer geld gesmokkeld. Wapens.’
            Ze keek me aan of ik een ander was. Ze was niet boos, ze veroordeelde me niet, ze probeerde me niet op andere gedachten te brengen.
            Ze wist dat iets voorbij was.
            Onherroepelijk.
            Iets dat misschien nog niet eens echt begonnen was.
            Ik las het in haar gezicht, alsof toen pas de consequentie van m’n keuze tot me doordrong.
            Thuis zag ik in de spiegel de ene half afgemaakte vlecht. Omwille van Suzanne heb ik mijn haar altijd lang willen dragen. Sinds ik het in de DDR heb laten knippen, draag ik het kort.

***

Vanaf de eerste dag van de gevangenname heb ik mijn cel als mijn thuis gezien.
            Natuurlijk ben ik eerst onder escorte en zelfs met een helikopter wat rondgesleept tussen verschillende gevangenissen, maar steeds beschouwde ik mijn cel als de mijne en als de logische uitkomst van mijn leven.
            Was het berusting?
            Ik stel hier de vragen maar u mag het zeggen.
            Ik was al vroeg voorbereid op een leven in afzondering en misschien koesterde ik een heimelijke wens een bajesleven te kunnen leiden.
            Een jaar na onze vakantie in de Eifel ben ik met m’n ouders naar Koblenz op vakantie geweest. We reden de Rijn af en in de buurt van Koblenz hebben we een benedictijner klooster bezocht. Ik heb niet meer dan de kerk gezien, maar van een in een zwarte pij gestoken monnik met wie vader in gesprek over de kartuizers raakte kreeg ik een plattegrond van het klooster. Door de kerkdeur liet de monnik me een snelle blik op de kruisgang werpen.
            Thuis heb ik aan de hand van de plattegrond en een fotoboek over benedictijner kloosters in Europa van lucifers een klooster nagemaakt, compleet met keuken, kerk, refter, het kapittel, een altaar, cellen. Ik fantaseerde dat ik zelf in een van die cellen zat. Nee, ik fantaseerde het niet, ik zag me daar gebogen over de biografie van Franciscus van Assisi of Hildegard van Bingen zitten.
            Het was de gelukkigste periode uit mijn jeugd.
            Ik werd nog niet gekweld door vragen over armoede en honger, ongelijkheid en onrecht.

HET VERHAAL VAN IXQUIC - EPISODE UIT HET MAYA-EPOS POPOL VUH

Maya vaasschildering (detail)

vertaald en toegelicht door Laurens Vancrevel en met twee tekening van Jan Schlechter Duvall

TOELICHTING

Popol Vuh is de titel van het oude epos van de Quiché-indianen (spreek uit: Ki-tsjé), één van de vele Mayavolkeren in het huidige Guatemala. ‘Popol Vuh’ betekent in de Quichétaal ‘boek van de raad’, dat wil zeggen: boek van de raad van priester-koningen. Het bestaat uit scheppingsverhalen, mythologische verhalen en annalen van het Quiché-rijk.

De Quiché-Maya’s vormden tussen circa 500 v.C. en de Spaanse Conquista een machtig rijk met vele vazalstaten, verspreid over het huidige Guatemala, Honduras en Zuid-Mexico. Bij de bloedige verovering van hun rijk in 1524 door de Spaanse kolonisatoren werd hun grote hoofdstad Utatlán in brand gestoken en met de grond gelijk gemaakt; de twee priester-koningen werden opgehangen. De in het koninklijk paleis bewaarde kronieken van het rijk, die Popol Vuh heetten en die waren opgetekend in het Maya-beeldschrift met gedetailleerde schilderingen, gingen daarbij ook in vlammen op.

Omstreeks 1550 heeft een ontwikkelde Quiché-Indiaan, die het Latijnse alfabet kende en die blijkbaar de verloren gegane boeken goed had gekend, de inhoud daarvan uit zijn herinnering opgeschreven, ongetwijfeld in het grootste geheim, want de Spaanse missionarissen vernietigden toen nog steeds alle ‘afgoderij’ van de Indianen. Zijn manuscript werd door Quichéstamhoofden in Chichicastenango bewaard – de stad waarheen de vluchtelingen uit Utatlán waren uitgeweken.

Het manuscript werd ruim anderhalve eeuw later ontdekt door de Dominicaner pastoor Francisco Ximénez, die de Quichécultuur bewonderde en die het vertrouwen had weten te winnen van de stamhoofden. Ximénez was diep onder de indruk van het boek en heeft de Quichétekst gekopieerd en in het Spaans vertaald. Zijn manuscripten bleven bewaard in het Dominicaner klooster en na de liberale revolutie van Guatemala in de universiteitsbibliotheek.

Deze transcriptie kwam in handen van oudheidkundige onderzoekers in de negentiende eeuw. Vanaf 1853 zijn er verschillende vertalingen van de Popol Vuh verschenen, eerst in het Duits, Engels, Frans en Spaans, vergezeld van felle polemieken over de juiste interpretatie van de oorspronkelijke tekst. In 1947 publiceerde de Mexicaanse geleerde Adrián Recinos een nieuwe Spaanse vertaling, die sindsdien algemeen wordt beschouwd als de meest betrouwbare weergave. Zijn vertaling is daarna her-vertaald in vele andere talen; zij vormt ook de basis voor de bijgaande vertaling van het verhaal van Ixquic.

‘Het verhaal van Ixquic’ maakt deel uit van een reeks verhalen over de strijd tussen mythologische helden uit de ‘oertijd’ met de heersers van de onderwereld, die Xibalbá heet (spreek uit: Sji-balbá), wat ‘Demonenrijk’ betekent. De helden Hun-Hunahpú en Vucub-Hunahpú (de namen van de Mayakalenderdagen 1-Jager en 7-Jager) zijn hartstochtelijke balspelers. Het lawaai dat de zware rubberen bal op de grond veroorzaakt wekt de ergernis op van de heersers van Xibalbá, Hun-Camé en Vucub-Camé geheten (wat wil zeggen: de kalenderdagen 1-Dood en 7-Dood) en dezen besluiten de helden te gaan doden. Na tal van beproevingen worden zij ten slotte ritueel geofferd; het hoofd van één van hen wordt afgesneden en in een boom gezet. Maar door een wonder verandert het hoofd onmiddellijk in een vrucht die niet is te onderscheiden van de overige vruchten. De heersers vaardigen onmiddellijk het verbod uit om onder de boom te komen en om de vruchten te plukken. Daarna begint het verhaal van Ixquic (spreek uit: Iesj-kiek; het betekent ‘vrouwenbloed’).

***

‘Vandaag zal het einde zijn van jullie dagen. Nu zullen jullie sterven. Jullie zullen worden vernietigd, wij maken jullie tot mootjes en jullie nagedachtenis zal hier onbekend blijven. Jullie zullen geofferd worden,’ zeiden Hun-Camé en Vucub-Camé.
            Vervolgens offerden zij hen en begroeven hen in de Pucbal-Chah, die zo heette. Alvorens hen te begraven sneden zij het hoofd van Hun-Hunahpú af, en begroeven de oudste broer bij de jongste broer.
            ‘Pak het hoofd en zet dat in die boom die bij de weg is gezaaid,’ zeiden Hun-Camé en Vucub-Camé. En toen zij weggegaan waren om het hoofd in de boom te zetten, kreeg die boom meteen volop vruchten, terwijl die nooit vrucht had gedragen voordat zij het hoofd van Hun-Hunahpú tussen zijn takken hadden gezet. En die bekervrucht noemen wij heden het hoofd van Hun-Hunahpú, zoals men zegt.
            Met verbazing bekeken Hun-Camé en Vucub-Camé de vrucht van de boom. De ronde vruchten zaten overal; maar het hoofd van Hun-Hunahpú was er niet van te onderscheiden; dat was een vrucht die gelijk was aan de overige vruchten van de bekerboom. Zo verscheen dat voor alle lieden van Xibalbá toen zij kwamen om die te bekijken.
            Naar hun oordeel was de aard van deze boom wonderbaarlijk, wegens wat er gebeurd was nadat zij het hoofd van Hun-Hunahpú tussen de takken hadden gezet. En de Heren van Xibalbá verordonneerden: ‘Niemand mag die vruchten plukken! Niemand mag onder die boom gaan zitten!’ zieden zij, en zo beschikten zij om dat te verbieden voor alle lieden van Xibalbá.
            Het hoofd van Hun-Hunahpú is niet meer gezien, want het was hetzelfde geworden als de vrucht van de boom die bekerboom heet. Evenwel, een meisje hoorde die wonderbaarlijke geschiedenis. Het gerucht kwam een maagd ter ore, de dochter van een Heer. De naam van de vader was Cuchumaquic en die van de maagd Ixquic.
            Toen zij de geschiedenis hoorde van de vruchten van de boom, haar verteld door haar vader, bleef zij verbaasd over wat zij gehoord had.
            ‘Waarom zou ik niet die boom gaan aanschouwen waarover zij vertellen?’ riep de jonge vrouw uit. ‘Die vruchten waarover ik hoor spreken moeten vast heel lekker zijn.’ Vervolgens ging zij op pad, helemaal alleen, en kwam bij de voet van de boom die gezaaid was in Pucbal-Chah.
            ‘Ach!’ riep zij uit, ‘wat voor vruchten draagt deze boom? Is het niet wonderbaarlijk om te zien hoe vol vruchten hij hangt? Moet ik sterven, zal ik mij te gronde richten als ik er een van pluk?’ zei de maagd.
            Toen sprak de schedel die tussen de takken van de boom zat, en hij zei: ‘Wat wil je precies? Deze ronde dingen waarmee de takken van de boom vol hangen zijn niets anders dan schedels.’ Zo sprak het hoofd van Hun-Hunahpú, zich wendend tot de jonge vrouw. ‘Wil je er misschien eentje?’ voegde hij er aan toe.
            ‘Ja, ik wil ze,’ antwoordde de maagd.
            ‘Heel goed,’ zei de schedel. ‘Steek je rechterhand maar naar hier uit.’
            ‘Goed,’ zei de jonge vrouw daarop, en haar rechterhand omhoog houdend, stak zij die in de richting van de schedel.
            Op dat moment spuwde de schedel een straaltje speeksel dat recht in de handpalm van de maagd terecht kwam. Ze keek snel en met aandacht naar haar handpalm, maar er zat geen speeksel van de schedel meer op haar hand.
             ‘In mijn speeksel en mijn slijm heb ik je mijn nakomelingschap gegeven. Nu zit er niets meer in mijn hoofd, nu is het niets anders meer dan een schedel zonder vlees. Zo is het hoofd van de grote prinsen, het vlees is het enige dat hun een schoon uiterlijk verleent. En als ze sterven, zijn de mensen vol angst wegens de beenderen. Zo is ook de aard van de kinderen, die zijn als speeksel en slijm, ook al zijn zij de kinderen van een Heer, van een wijs man of van een redenaar. Hun aard gaat niet verloren wanneer zij heen gaan, maar wordt overgeërfd; het beeld van de Heer, van de wijze of de redenaar dooft niet uit noch verdwijnt, maar die laten zij na aan hun kinderen en aan de kinderen die dezen verwekken. Dat nu heb ik gedaan met jou. Ga daarom weer omhoog naar het oppervlak van de aarde, opdat je niet zult sterven. Vertrouw op mijn woord dat het zo zal zijn,’ zei het hoofd van Hun-Hunahpú en van Vucub-Hunahpú.
            En alles, wat zij zo doeltreffend hadden verricht, was gedaan volgens de opdracht van Huracán, Chipi-Caculhá en Raxa-Caculhá.
            Vervolgens ging de maagd weer terug naar haar huis nadat al die aanwijzingen waren gegeven, en zij onmiddellijk zwanger was geworden van kinderen in haar buik door de uitwerking van het speeksel alleen. En zo werden Hunahpú en Ixbalanqué verwekt.
            De jonge vrouw kwam dus thuis en na verloop van zes maanden werd haar toestand opgemerkt door haar vader, die Cuchumaquic heette. Terstond werd het geheim van de jonge vrouw ontdekt door de vader, toen hij zag dat ze een kind verwachtte.
            Daarna kwamen alle Heren Hun-Camé en Vucub-Camé in beraadslaging bijeen met Cuchumaquic.
            ‘Mijn dochter is zwanger gemaakt, Heren; ze is onteerd,’ riep Cuchumaquic uit toen hij voor de Heren verscheen.

ALAIN ROBBE-GRILLET - EEN KONINGSMOORD (HOOFDSTUK VI)



In 1948 schreef Alain Robbe-Grillet (Brest 1922 – Caen 2008) zijn eerste roman, Un régicide.
  Alain Robbe-Grillet geldt als de grondlegger van de nouveau roman, in feite een soort geuzennaam, want hij werd door de auteur overgenomen uit een artikel in Le Monde van 22 mei 1957, waarin zijn net verschenen roman La jalousie negatief werd besproken.
  Robbe-Grillet ging na zijn middelbare school in Brest aan de Normandische kust studeren in Parijs, waar hij landbouwkundig ingenieur werd. Hij werd eerst, tijdens de Duitse bezetting van Frankrijk, door de nazi’s tewerkgesteld in Neurenberg, daarna, in 1945 trad hij in dienst van het nationaal instituut voor de statistiek in Parijs, om vervolgens voor het Institut des fruits et agrumes coloniaux onderzoek te gaan verrichten in Marokko, Frans Guinea, op Martinique en Guadeloupe. Hij besloot uiteindelijk zich te wijden aan het schrijverschap.
  Zijn eersteling, Un régicide, werd ‘vriendelijk’ afgewezen door de vooraanstaande Parijse uitgeverij Gallimard. Nadat in 1953 Les Gommes bij Les Éditions de Minuit was verschenen (en Roland Barthes er in Critique de aandacht op had gevestigd), volgden in rap tempo nieuwe boekpublicaties, waaronder Le voyeur (1955), La jalousie (1957) en Dans le labyrinthe (1959). Er volgde nog veel meer, ook op cinematografisch gebied, zoals L’Année dernière à Marienbad (1961) met Alain Resnais en in 1963 verscheen zijn essayistisch boek Pour un nouveau roman, dat opent met de zin: ‘Ik ben geen romantheoreticus.’ Hij werd literair adviseur voor Les Éditions de Minuit en bleef dat tot 1985. Er volgde nog steeds veel, tot hij bezweek aan een hartinfarct.
  Un régicide verscheen intussen alsnog, dat wil zeggen in 1978.
  Hieronder volgt het zesde hoofdstuk van de roman, die begin 2017 onder de titel Een koningsmoord in Nederlandse vertaling zal verschijnen bij uitgeverij Koppernik.

[Zie ook op Het Moment Emma Kafalenos over Un régicide: http://magazinehetmoment.blogspot.nl/2016/04/emma-kafalenos-een-buitengewone-eerste.html.]

EEN KONINGSMOORD
hoofdstuk vi

Elk jaar rond deze tijd worden onze moerassen bevolkt door insecten, waarvan de meeste heel erg klein zijn en zo licht, zo diafaan, haast immaterieel dat het verbazingwekkend is dat ze kunnen leven.
   Ze bestaan uit lange, dunne pootjes, die het doorzichtige lijfje met moeite dragen, al heeft dat amper gewicht, en fijne membraanachtige vleugels, die door het minste zuchtje wind worden gekreukt, en geveerde voelsprieten die overgeleverd zijn aan het geringste schokje, aan het allerkleinste spatje regen.
   Bij ontstentenis van andere noemenswaardige voortekens worden ze door ons als lentebodes beschouwd. Je treft ze met miljoenen aan, dicht bij elkaar boven een en dezelfde plek, of ze bedekken als stof het jonge groen van de struiken.
   Nadat ze in ons drasland tevoorschijn zijn gekomen verspreiden ze zich geleidelijk over het hele eiland. Als er ’s avonds een raam open is blijven staan duurt het niet lang voordat een zwerm het vertrek binnenvalt. Eerst merk je helemaal niets, zo nietig is elk insect op zich; maar dan maak je toch onwillekeurig een handbeweging om de vlekjes voor je ogen weg te vegen en alles verdwijnt. Maar binnen de kortste keren zijn ze er weer, zwermen ze nog talrijker om je heen, vertroebelen de lucht, verontreinigen de olie van de lamp of knetteren in de vlam. Je zwaait weer met je hand, je blaast, blaast harder; niets helpt; de lucht wordt dikker, zo compact wordt hun vlucht en als je je mond opent krijg je ze met honderden binnen, elke keer als je ademhaalt dringen ze met duizenden in je luchtwegen door.
   Al gauw moet je je gewonnen geven; het is zinloos alsnog het raam te sluiten; het is al te laat; je kunt alleen nog de lamp uitdoen en het nachtelijke duister in vluchten.
   Buiten is hun aanwezigheid minder opdringerig; natuurlijk kunnen ze je niet beletten te bewegen. Toch moet je overal op je hoede zijn, want er zijn erbij die met hun duizend keer herhaalde steek vreemde ziektes overbrengen, die je alle fut ontnemen, waardoor je het bed moet houden, soms de hele zomer lang. Doordat die steken geen pijn doen en de wezentjes die ze toebrengen bijna onzichtbaar zijn is het moeilijk, zo niet onmogelijk je er afdoende tegen te beschermen. Daarom zijn we altijd min of meer overgeleverd aan de koorts die ze meebrengen.
   Er zijn ook insecten die zich praktisch nooit verwijderen van hun poel, waar ze als mistflarden boven hangen; weer andere bewegen zich over het wateroppervlak. In het water zelf komen grotere, dikkere voor, met meer kleur en tevens met een afzichtelijker uiterlijk, bruinachtige larven die op waterplanten zitten, levendige wormen die van vorm veranderen wanneer ze dat willen, er soms uitzien als opgeblazen zakken, soms spits toelopend als naalden, trage en gevaarlijke wantsen die in de blubber rondkruipen…
   Gisteren stond ik voorovergebogen aan een poel om dat aas te zoeken waar de vissen zo dol op zijn, toen ik voetstappen achter me hoorde. Ik draaide me niet om, want ik dacht dat het een van mijn kameraden was, maar opeens zag ik in het zwarte water naast mijn eigen gezicht de donkere ogen van de eenzaat glanzen. Een door de wind voortbewogen vijverloper deed het spiegelbeeld even rimpelen en toen het wateroppervlak weer glad werd was hij verdwenen.
   Ik wist dat hij niet weg was gegaan; zonder van mijn plaats te komen zei ik: ‘Wie ben je, dat je voor me uit mijn sporen nagaat dwars door het moeras en de duinen?’
   Het duurde een ogenblik tot hij met gedempte maar toch levendige stem antwoordde: ‘Ik ben degene die het aanbreken van de dag aankondigt, degene op wie ’s avonds wordt gewacht om te kunnen inslapen, ik ben de ster die ’s nachts de verdwaalde reiziger leidt; ik ben de beweging van de golven. Ik ben het bloed van de schapen die de keel wordt doorgesneden, ik ben het vruchtvlees van de appel en de stam van de appelboom. Hier ben ik degene die jou aankijkt…’
   Hij sprak nog lang, was mijn indruk, maar ik begreep niet alles wat hij zei, waardoor ik er niets van heb onthouden. Het was tegelijk een geruststelling en een noodkreet, vergelijkbaar met het gezang van de zee tussen de rotsen.
   Toen ik hem niet meer hoorde draaide ik me om: er was niemand te zien.
   De lucht was zacht, bijna zonder mist, een fijne geur van munt steeg op uit het moeras. Ik liep tussen het jonge groen, bukte me om een paar geurige blaadjes te plukken en die tussen mijn vingers fijn te wrijven. Jubelend steeg een leeuwerik boven me in de lucht.

T.S. ELIOT EN DE WAAIENDE BLADKAPITELEN IN CLASSE

Na de integrale vertaling van Prufrock and Other Observations, de debuutbundel van T.S. Eliot uit 1917, die onlangs in een tweetalige editie verscheen bij uitgeverij Koppernik, werkt Paul Claes aan de integrale vertaling van Eliots tweede bundel, Poems, uit 1919. Alvast een proeve uit de bundel die komend jaar eveneens bij Koppernik zal verschijnen.

lune de miel

Ils ont vu les Pays-Bas, ils rentrent à Terre Haute;
Mais une nuit d’été, les voici à Ravenne,
À l’aise entre deux draps, chez deux centaines de punaises;
La sueur estivale, et une forte odeur de chienne.
Ils restent sur le dos écartant les genoux
De quatre jambes molles tout gonflées de morsures.
On relève le drap pour mieux égratigner.
Moins d’une lieue d’ici est Saint Apollinaire
En Classe, basilique connue des amateurs
De chapitaux d’acanthe que tournoie le vent.

Ils vont prendre le train de huit heures
Prolonger leurs misères de Padoue à Milan
Où se trouve la Cène, et un restaurant pas cher.
Lui pense aux pourboires, et rédige son bilan.
Ils auront vu la Suisse et traversé la France.
Et Saint Apollinaire, raide et ascétique,
Vieille usine désaffectée de Dieu, tient encore
Dans ses pierres écroulantes la forme précise de Byzance.


        T.S. Eliot
honeymoon

Na Nederland gaan zij terug naar Terre Haute;
Ze rusten op een zomernacht hier in Ravenna
Tussen twee lakens samen met tweehonderd wantsen,
De zwoele geur van zweet en de stank van een teef.
Plat op hun rug doen zij de knieën uit elkaar
Van vier door beten opgezwollen, lome benen.
Ze lichten soms de lakens op om zich te krabben.
Op minder dan een mijl staat Sant’Apollinare
In Classe, een basiliek bekend bij liefhebbers
Van door de wind verwaaide acanthuskapitelen.

Ze stappen op de trein van acht uur en vervolgen
Hun lijdensweg van Padua tot in Milaan.
Daar wacht het Avondmaal en een goedkoop eethuis.
Hij denkt al aan de fooi en maakt de eindbalans.
Ze zagen Zwitserland en reisden Frankrijk door.
Ascetisch en gestreng blijft Sant’Apollinare,
Die oude Godsfabriek, in zijn verweerde steen
De strakke vormen van Byzantium bewaren.

        vertaling Paul Claes

H.C. TEN BERGE & REIN BLOEM - VIJFTIG JAAR KOCKYN


De tweede poëziebundel van H.C. ten Berge, Swartkrans (Amsterdam 1966), opende met de reeks ‘Kockyn – een kermiskroniek’. De reeks was eerder in het tijdschrift Merlyn verschenen, en Merlynredacteur H.U. Jessurun d’Oliveira schreef erover.
In november van 1966 ging de film Kockyn, een kermiskroniek van Rein Bloem in première. Het filmscenario was van Bloem en Ten Berge; Hugo Metsers maakte zijn debuut als filmacteur.

Op Het Moment worden reeks en film uit 1966 nogmaals samengebracht, al heeft de filmversie helaas enkele hiaten. De film volgt direct onder de gedichtenreeks, die hier overigens de o.a. qua spelling en interpunctie gewijzigde versie in H.C. ten Berge, Materia prima - Gedichten 1963-1993 (Amsterdam 1993) volgt.

'Het was een eerste probeersel op 35 mm van Rein B. We maakten samen het scenario, hij deed de regie, ik de productie. Mijn oude vriend Ten Holt werd voor de muziek gevraagd (hij was nog volslagen onbekend in die tijd). Er was weinig geld, waardoor wij voor niets werkten en de technici natuurlijk wel betaald werden. De opnamedagen waren ontzaglijk aardig, leerzaam en opwindend: alles was nieuw, en voor een altijd alleen zittende schrijver bleek samenwerking met anderen een andere en stimulerende wereld. Voor Ten Holt schaften wij een metallofoon aan die 125 gulden kostte. De vleugel werd à la Cage geprepareerd en Pieter van der Staak speelde (klassieke) gitaar. De opnamen werden op een zaterdag in zijn nu overwoekerde bunkerstudio in Bergen gemaakt. Er werd voor die gelegenheid een elektrische kabel gelegd van de boerderij naar de van alle gemakken verstoken bunker, waarin hij ook woonde. Mijn god, dat alles is nu precies vijftig jaar geleden!' - H.C. ten Berge aan H.B., 26.06.2016



H.C. ten Berge
KOCKYN, EEN KERMISKRONIEK


STEILE WAND

Ik achtervolg je op de planken, berijd
en bezweer de Norton die snort om je steilte,
je rijzende spitsen begeer en berijd ik maar
slik driftig noch doordacht vernedering op nederlaag.

Sluik, zo ros als een roestige helm spant het haar,
mijn kerosinewonder, niet te stuiten treurspel
van bedrog, dagdievegge,
duivelin naar wie de kerels fluiten, zwarte
ster die daar zo staat tussen het rollend materieel.
Dit leeg bestaan ontspoort.

De sigaret brandt weg in je hand, ik sta
bij de training. Je glimlach scheef, vertekend
door de blinddoekspleten naar mijn grauw gezicht,
kansen op een doodsbericht besprekend met de krant.


KOCKYN

Meiden gillen in de molen, als klerk
heb ik staan azen op baaien ballonnen,
vlezig en rond de melkwitte kuiten,
granaatrode rokken waarin het tokkelend kontje
zo gretig zich richt naar tamboers, de gladgeschoren
vogelaars die straffe roffels slaan, op straat
de plaats beramen waar zij straks de rode plundering
bereiden in het bos.

De tent is uitverkocht, de horde blaft
het schijngezang van honden.
In lichtgeschitter en de schaduw van de achterkant,
tussen bombast en bedrog ik zie het bleek
in leer gevatte dier dat op mij wacht.
Je zoent mijn hand tussen seances door: zie ik je nog?
Kockyn? We zien elkaar?

Beloof het haar (gelach laait als een fakkel
in de kap) maar blijf over de pleinen zwerven.

Het lachen schroeit in mijn longen.
Het vurig zadeldier verbittert en verbrandt.


 LABYRINT

Complexe cel
Van glas
jij geen ander

was
zo blindelings
gericht

beleed een
hel van spiegels
en glazuur

De menigte vermaakt         verdringt zich         maakt zich breed

achter elke wand

rijst

een gezicht

verspringt
naar

haar structuur


TEMPEL DER WAARHEID

Vesta reeds geen maagd meer maar op jaren,
snuffelt hongerig aan mijn ongeringde hand.
Ik zet de muts af met de bellen,
zij legt besluiteloos de kaarten neer
en staart glazig in de globe.

Aan de hemel bloeit een bom, een vrouw komt
in het donker en geluidloos woedt de brand;
een heer stort olie op het vuur, voor 1 Berliner bol
zeg ik u meer als ik zo vrij mag wezen.

In de windstille middag omzwermen vliegjes de wand,
ik presenteer en zij hapt gulzig in de zoetigheid.

Wat kent de dichteres? vraagt zij met volle mond.
Ik weet niet wat u weet maar zie: verkreukelden,
verminkten in de brandende benzine kermen, waarheid
liegt de werkelijkheid; ze wordt betaald, bestempeld
en bepaald door u. Wat duister is
wordt lichter maar wat vuur is moet gedoofd.
Merde, oh!

In het donker zwelt haar omvang, scherp
en zoet, als mieredood
verraderlijk.
Ik sta aan overmacht van haar mamellen bloot.


*

Geen meid, geen mos die mij bedilt
als jij. Je rijdt met koude wildheid
langs de wanden, scheldt en spint, je
lacht en vleit, bemint de koningszot
die in de kromme van de morgen bij het vuur
zit, als de hete giftong langs je lippen
lekt en je het groene pak afpelt op het tapijt

Doodtij beheerst
de middag tot de zon
achter het bos gemoffeld is.

Het afgesproken uur: de revolutie walst in lichtexplosies
nauwe straten door. Als ezelpaus van het crapuul (dat grijpt
en stinkt maar slechts de schim van wie ik was benadert)
loop ik weer tussen de boeren en besmuikte stadslui
in het zondagspak. Gezichten zijn gewassen en gestreken;
temidden van kaneel en crêpe, verkikkerd op hun vel van cellofaan
staan de nogageisha's, zuurstokmondjes rood van zuinigheid,
In het gebleekte haar een strik met J. Stuvé $ Montélimar.

Vesta wenkt mij maar ik scharrel
met matrones langs haar heen,
mijn rosse toorts gaat naar de piste
en ik sluip met het publiek de trappen op,
grinnik naar de juffers van de rupsbaan, de raket,
naar Miss Noga in haar nette tent. Genoegens
zijn gespreid, gewaaierd over pleinen.

In het jaarlijkse gemor van grijze heren, het tumult
dat ik beluister
Is luidruchtige begrafenis van magere opstandigheid.


OCHTEND / HET GEBEUREN

Bijna winter. Spreeuw
bespiedt de lijsterbes
en steekt zich in de veren.

Berijpte snavels, dode vogels in de tuin.

Vroege vorst witselt
het veilig hout. Een koude hand
tast langs mijn huid.

As

bedekt het pad. Met zacht getik
verkilt de Norton

en wordt wit.
LANGE LOYS EN MOOIE YDOVYE

Dode kermis,
zeildoek ligt vergrauwd en hard over attracties,
als brood schrokt men gebeden in het godshuis
en wij roken de namiddag door

In de Buick, gebruind door roest en tochtig
aan de randen toon je prenten van Rouaan, Hesdin,
Valenciennes. Je eist een beeld van ons voor je gaat
rijden; plotseling snikt zweet je voorhoofd uit.

Die zich de Markies van Karabijn noemt
(op de windbuks Wavers meester; tijdverdrijf dat waanzin
werd) is verblind door zijn gezicht op de affiches.
Uit zijn speakers kraken combo's: psalmgezang
wordt polyfoon gestoord door vibraharpen
en zijn sappige vertolking van gods woord.
Paarse pluimen pint hij in de roos, zijn schot
dringt telkens driftig in de fotoschijf.

De schutter doodt aldus zijn liefde.

Kerken sluiten voor de pret
begint, terreinen stromen vol
en wij zijn voor de schijf gedreven. Om de toonbank
dromt een troep die de markies met snelle handgrepen
bedient; jij staat voor me, dan
span ik de haan. Door kinkels opgejut
schutter ik onhandig met de buks -
daar heb je jezus jongens, kijkes wat een meid dat is!

Nochtans ben ik bedreven in dit spel:
ik zak nu door de knieën, leg over je haren aan -
als ik de trekker overhaal zijn we geschoten
in de kraam.

Kijk ze lachen samen op de kiek,
Lange Loys (met knijpoog) en zijn mooie Ydovye.


STEILE WAND 2

Gekooid onder spanten in de volgepakte tent
sta ik te schudden waar je mikkend op een stunt
voorbij de touwen scheert. De laatste rit
van dit seizoen, je knoopt de blinddoek om
en lacht weer naar mijn marmersmoel
dat even stuiptrekt maar met bluf en achteloosheid
koel de catastrofe observeert.

Buiten draait de janboel dol, een orgelpunt
van basgitaren, woordvergiftiging die stilte
naar het leven staat.

Je bent verkeerd gereden en mijn handen zijn ontveld.

Ondoordringbaar is een rag van mensen aan je lijf verkleefd.

Paparazzi
omzwermen vechtend de prooi
en schieten foto's.

Een stukje leer dat achterbleef
heb ik genomen.


*

Nog haast ik mij naar het theater
maar mijn uren zijn geteld.
(Wie stal de show? Kockyn? Die
zou men voor de honden jagen.)

Potsierlijk laat stuif ik de planken op,
een ratelend rad met kleppers en bellen,
blindeman in razernij voor het publiek gebracht.
(Bedenk,
ook in café's zijn poppen aan het dansen.)
Moeder Folle hangt al met haar dochters in de nok,

men lacht zich dood, haar rose broek
barst krakend open en confetti dwarrelt op mijn kap.

Buiten tiert de stad, ze krimpt
ineen; het is de laatste nacht.
Voorafgaand aan afbraak, de steilte van morgen,
sterft het feest als een gestresste rat.

Herinner dit kleinbeeld:
een houten huis dat aan de bosrand staat,
warm ezelsvel dat op mij wacht.