GOTTFRIED BENN - DE VERJAARDAG

Uit Gottfried Benn, Gehirne, 1916.
Hier gepubliceerd met vriendelijke toestemming van © Klett-Cotta-Verlag, Stuttgart, namens de Duitse rechthebbenden.
Bij Klett-Cotta zijn de Sämliche Werke van Gottfried Benn verkrijgbaar.

Voor een inleiding bij de ‘Rönne-novellen’ van Gottfried Benn, die samen de bundel Gehirne vormen, zie: http://huubbeurskens.blogspot.nl/2016/12/bij-de-ronne-novellen-van-gottfried-benn.html


***
Stilaan was een arts de negenentwintig gepasseerd en al met al leek hem dat geen reden tot bijzondere gevoelens.
   Maar afgezien van zijn leeftijd vroeg zich het een en ander af. Een behoefte aan een zin van het leven vloog hem meer dan eens aan: wie verwezenlijkte die: de heer die, met de paraplu aan zijn arm, zo kwiek voort stapte, de koopvrouw die voor haar stalletje met seringen in de avondwind zat nadat de markt afgelopen was, de tuinman die van alles de benaming kende: laurierkers en cactussen, en die wist dat de rode bes in de dorre struiken nog van vorig jaar was?
   Hij was afkomstig uit de Noord-Duitse laagvlakte. In zuidelijke landen was het zand natuurlijk licht en los; de wind kon – dat was aangetoond – korreltjes rond de hele aardbol dragen; hier was de stofkorrel groot en zwaar.
   Wat had hij meegemaakt: liefde, armoede en röntgenbuizen, konijnenhokken en onlangs een zwarte hond, die was op een open plein in de weer met een groot rood orgaan tussen zijn achterbenen, heen en weer, amusant en innemend; er stonden kinderen omheen, blikken van dames zochten het dier, opgeschoten jeugd wisselde van plek om het gebeuren van opzij te kunnen bekijken.
   Hoe had hij dat allemaal ervaren: hij had gemaaid gerst van de velden gereden, met oogstwagens, en dat flink wat: mandels, hengselmanden en de kont van het paard. Toen zat het lijf van een juffrouw vol water en moest er worden afgevloeid en gedraineerd. Maar boven alles zweefde een stil twijfelend alsof: alsof jullie echt waren, ruimte en sterren.
   En nu? Het zou een grijze, nietszeggende dag zijn wanneer hij werd begraven. De vrouw zou dood zijn, het kind een paar tranen laten. Hij had zich nooit veel om zijn kind bekommerd, het was wellicht een lerares geworden die ’s avond nog schriften moest nakijken. En toen was het afgelopen. Beïnvloeding van hersenen door en van hem ten einde. Het behoud van energie liet zijn wetmatigheid gelden.
   Wat was zijn voornaam? Werff.
   Hoe heette hij voluit? Werff Rönne.
   Wat was hij? Arts in een hoerenhuis.
   Wat sloeg de klok? Twaalf. Het was middernacht. Hij werd dertig jaar. In de verte rommelde een onweer. Boven meibossen scheurde de wolk open.
   Nu is het tijd dat ik begin, zei hij tegen zichzelf. In de verte rommelt een onweer, maar ik gebeur. Boven meibossen scheurt de wolk open, maar het is mijn nacht. Ik heb noordelijk bloed, dat zal ik nooit vergeten. Mijn voorvaderen vraten van alles en nog wat uit troggen en stallen. Maar, zo sprak hij zich moed in, ik wil me alleen maar verstrooien. Daarop wilde hij zich iets aanschouwelijks toeroepen, maar dat lukte niet. Dat vond hij weer veelzeggend en veelbelovend: misschien dat de metafoor al een vluchtpoging, een soort visioen en een gebrek aan trouw was.

Door stille blauwe nevels, door de nabije zee landinwaarts gedreven, schreed Rönne toen hij de volgende ochtend op weg naar zijn ziekenhuis was.
   Dat lag buiten de stad en afzijdig van alle verharde wegen. Hij moest over aarde lopen die zacht was, die viooltjes op liet komen; slap en doorweekt  gaf ze mee onder zijn voeten.
   Toen sprong uit tuinen de krokus hem tegemoet, de kaars van de metten van de dichtersmond, en wel juist de gele soort, die voor de Grieken en Romeinen het toonbeeld van al het lieflijke was geweest, geen wonder dus dat ze hem het rijk van het hemelse in voerde? In vijvers van krokussappen baadde de god. Een bloesemkrans remde de roes. Aan de Middellandse Zee de saffraanvelden: de drieledige stempel; ondiepe pannen, zeven van paardenhaar boven vuren, licht en open.
   Hij wakkerde zichzelf aan: Arabisch za-fara, Grieks kroké. Er diende zich een zekere Corvinus aan, koning der Hongaren, die wist hoe je bij het eten saffraanvlekken moest voorkomen. Moeiteloos volgden de kleurstof, de specerij, het bloementapijt en het Alpendal.
   Terwijl hij nog in de ban was van de bevrediging door het zo weidse associëren, viel zijn blik op een glazen uithangbord met het opschrift: Cigarette Maita, belicht door een zonnestraal. En nu ontstond via Maita – Malta – stranden – stralend – veerboot – haven – mosseleters – ravages – het helder klinkende geluid van een delicate versplintering, en Rönne slierde in een en al geluk. Maar toen stapte hij het hospitaal binnen: een ontoegeeflijke blik, een onwankelbare wil: om de prikkels die vandaag op hem af waren gekomen te verweven met de stand van zaken tot dusver, ze te verbinden zonder er een achterwege te laten. Een geheim stelsel zweefde hem voor ogen, iets van bepantsering en adelaarsvlucht, een soort napoleontische aspiratie, bijvoorbeeld de verovering van een haag, waarachter hij rustte, Werff Rönne, dertig jaar, gesetteld, een arts.

RENÉ GYSEN - LANGS EEN KRONKELEND PAD MET AARZELEND LICHT AAN DE EINDER

Niets staat vast. Geloof maar aan iets
De wolkbreuk van twee dagen tevoren – geen andere dan de fameuze wolkbreuk over Antwerpen op zaterdagavond 13 augustus 1966 – heeft de weg ondermijnd. Er zijn daar immers, in de buurt van Berchem-kerk, enorme graafwerken aan de gang voor de Kleine Ring en de aansluiting met de nieuwe Scheldetunnel. Er hebben zich instortingen voorgedaan, veroorzaakt door de overvloedige regen. Pompen konden het werk niet bijhouden en liepen warm. De straatweg werd afgeknabbeld aan de randen. De autobus slaat af en je kijkt uit het raam op een afsluiting en een bordje met pijl: omleiding.
            Deze braakliggende terreinen naast het park zijn je van vroeger goed bekend. Maar alles verandert. De vuile muren van de eeuwige kazerne, waar je broer nog als soldaat van de genie heeft verbleven, werden gesloopt. Voor de gemiddelde toerist konden het best Romeinse ruïnes zijn. In de drooggelegde vestinggracht liggen rossige voorwerpen: bedressorts, fietsen, afgedankte kinderwagens. Heuvels met loopgrachten en een hoogvlakte genaamd Halfmaantje, waarvan je de militaire bedoeling nooit goed begrepen hebt, zijn genivelleerd. Al die veranderingen, die nieuwe eentonige vlakte, accepteer je nog vrij kalm. Dáár ergens – op geen vijftig meter te situeren – liep een lange smalle weg met aan weerszijden een gracht. Je was achttien en je had nooit eerder met een bakfiets gereden, toen je er eens met zo’n tuig over moest.
            De bus rijdt nu een dreef in. Hier vindt het schandaal plaats: de asfaltweg is vervangen door afschuwelijke van nieuwheid blinkende macadam en aan één zijde werden alle bomen gerooid. Een heerlijke, lommerrijke dreef werd een kale straat met uitzicht op de achterkant van een chaotische rij wansmakelijke nieuwe huizen. De catastrofe slaat je met verstomming. Hoe dikwijls ben je zo’n vijfentwintig jaar geleden met je ouders langs hier gestapt op weg naar een bungalow op Oosterveld die je zuster en haar man voor de zomer hadden. En nu de dreef vernietigd werd, blijkt dat ze iets was waar je rotsvast in geloofde - zonder het te vermoeden of er ooit aan terug te denken. Sinds die dagen is de echtgenoot van je zuster in 1944 aan een etterpleuris gestorven, je vader in I951 aan een hartaderbreuk, je moeder in 1965 aan ouderdomskanker. Het graf van de dreef – het graf van het beeld van de dreef dat je koesterde - de dreef is haar eigen kerkhof geworden – voorbij de dreef sloeg je steeds rechtsaf, maar de bus steekt die weg over en rijdt langs het kerkhof van Berchem. Vandaag 15 augustus, moederkensdag, en jij met je vrouw zoals alle brave mensen op weg naar moeder, die begraven ligt op het kerkhof van de gemeente waar je zuster thans woont, net zoals vroeger toch op weg naar je zuster dus.
            De herinnering klaart op. Op een zomeravond werden we in die dreef door regen overvallen. We schuilden zo dicht mogelijk bij één van de dikke boomstammen onder het zware gebladerte. Na een tijd begon het nat door te druppen. Je moeder zeurde, maar jij vond het heerlijk. Tussen de bomen aan de overzijde zag je als in droom op de noodtrap en de achterbalkonnetjes van het toen enige appartementengebouw. De onoverzichtelijke herhaling van steeds dezelfde elementen aan een gewoonlijk verborgen achterzijde gaf het visioen dat irreële droomkarakter dat ik later terugvond in de huizen en openbare gebouwen uit Het Proces van Kafka. Misschien stonden er nog een paar mensen wat verder aan een boom, of haastten zich van de ene naar de andere, met een krant of een aan de hoeken geknoopte zakdoek op hun hoofd, of misschien reed er één van die stijfhoofdige fietsers voorbij, eenzaam en trots, die je in zulk weer steeds ziet passeren. Maar dat is een door mijn verbeelding achteraf aangebracht decor. Het zijn alles bij elkaar maar wat schamele jeugdherinneringen. Je ondergaat echter weer dat bepaalde, onbeschrijflijke klimaat. Je zou van geluk, verwondering, innerlijke vrede en mysterie kunnen spreken. Maar dat zijn slechts vage omschrijvingen. Wie dit leest heeft zijn eigen herinneringen waaruit hij zou kunnen putten. Heeft hij een glimlach om de mond, gaat zijn hart sneller kloppen wanneer hij kinderen hoort joelen, dan heeft hij misschien begrepen waarop je doelt. Het gaat niet om feiten of omstandigheden, maar om de ontroering. Je preciseert: een ontroering waaraan elke begerigheid ontbreekt. Het weemoedig terugverlangen naar het verleden is nochtans bijkomstig, het is een zwakheid waarvan je afstand moet kunnen doen. Belangrijk is de welbepaalde kwaliteit van dergelijke herinneringen. De ontroering die je bedoelt is een gevoel van zuiverheid en belangeloosheid, een begrijpen, een intuïtie, en toch essentieel een geheim. Het is natuurlijk niet onmogelijk de thema’s van je herinnering op te sommen: het onverbiddelijk verlopen van de tijd, de dood en vernietiging, daartegenover de vitale natuur (bomen, zomer, regen). De verbanden: onderweg zijn naar je zuster, gezinsrelaties met grote psychologische betekenis, inzonderheid de drievoudige vrouwelijkheid (moeder, zuster en echtgenote). Zal je toelaten dat woorden, dat verstandige gedachten de realiteit tot een abstractie herleiden waar alleen nog je intellect deel aan heeft? Kan je wat anders vaststellen dan dat het geheim je reeds weer ontglipt is? Dat het je zo diep aangrijpt: je hebt een uur later aan het graf, terwijl je vrouw de mauve en gele bloemen in een vaas aan het schikken was, op je tanden moet bijten. Maar naast de passieve sentimentaliteit was er een serene schoonheidservaring alsof de eeuwigheid je had aangeraakt.

Ik geloof aan de herinnering
Je gelooft aan de herinnering, als interiorisatie van een reëel moment, reëler geworden dan dat moment zelf, omdat ze dynamisch betrokken wordt op het geheel van iemands ervaringen en zijn voorbestemdheid voor bepaalde visioenen met uitsluiting van andere. Het woord herinnering wijst hier slechts schijnbaar uitsluitend naar het verleden. Zoals ik ze bedoel, omvat ze verleden, heden en toekomst tegelijk.

HUUB BEURSKENS - TROOST


Heeft ook het tellurische last van zich en spleen?
Maakt het gouden wolkje, vroeg ontwaakt, nadat
het de nacht aan de borst van de rots doorbracht,
zich fluks heen om te dartelen in de azuren pracht,

en laat het een vochtig waas in een richel achter
waardoor, alleen en in gedachten, die brave oude
steen de tranen de baas worden boven een lege
vlakte? Is ons gevoel slechts erger? Ergst? Erger

wel, maar, nee, allerergst bestaat er niet. Gillen
overgilt gegil, wilder, met wat opgestoken werd
van steken zullen meer steken wringen. Ook jij
bestaat niet, Trooster, want zeg me, waar zijn je

vertroostingen? Waar is je altijddurende bijstand
heen, vrouwe, die onder je, nee, niet lieve want
naïeve hart het leven mij ingroeien liet? Alsof ze
kuddebreed loeien, heffen, benauwd, benard,

mijn uitroepen tot oerpijn aan, samengedreven,
aan kettingen aan ringen, door het smeden van
klingen gesard dat het aloude aambeeld doet zingen
– dan verstillen, niet meer willen. Furiegekrijs:

‘Geen dralen, het blijve straf! Vort! Heb al zo kort!’
O, de geest die bergen bergt; kliffen, rotsenval,
gruwelijk steil en niet te peilen. Slechts wie nooit
er ging of hing, denkt Ach. En het er ooit zo lang

uithouden tot je aan dat indiepe wennen gaat
zal ons geen van allen lukken. Hier, stakker, buk
maar gauw met je vleilach en mooipraat onder je
golfplaten dak voor de wervelstorm in de nacht:

opgeheven wordt al wat leeft door de dood en in
de slaap sterft dag na dag. Troosten kunnen we
ons zelf alleen, met de gedachte dat ware troost
het verachten van dartelende gouden wolkjes is.

________________________

 ‘Troost’ is een combiparafrase van het gedicht ‘The Rock’ van Michail Lermontov uit 1841 (Engelse vertaling Vladimir Nabokov) en ‘No worst, there is none…’ van Gerard Manley Hopkins uit circa 1885. De afbeelding is een detail van een van de 'Carceri'-etsen van Giovanni Battista Piranesi (1720-1778).

JAN G. ELBURG - SOMMIGE SCHILDERIJEN


sommige schilderijen

Sommige schilderijen voltooide ik niet:
dat literaire met de letters,
of wat daaraan voorafging: portret
van een ijsblok had het moeten worden,
en ook de ondergelopen schacht (zwart kabbelen)
of de kubische kogel tegen de turken
of het oneindig vertikale druiplala
of of doorhalen wat verder geen streek meer vorderde,
noem maar op, alles
wat het zweet in de handpalm
uiteindelijk niet waard leek.

Maar zo gebeurde het
dat intelligente, niet onknappe jonge vrouwen
gruwden van mijn gebrek aan visie
– zegt u maar dadendrang –,
studenten mij stenigden
met proppen barokke blauwdruk,
met plannen, zo van de tekentafel of kropotkin ;
zolders, kelders, gegunde neurosen
braken zij, daartoe, voortijdig af.

En tegen het spieraam van mijn meesterwerken
richtten zij onvervaard hun stormladders op.
Zij spuugden het somberder deel van
het spektrum over mijn afwezigheid van toets.
Wierpen mijn ontbrekende vormen te grabbel
achter schildwachthuisjes, wáár ze die ook ontwaarden,
grimasten als duidelijk stervenden voor
wat ik te schilderen vergat, voorgaf
te vergeten of
bleek te vermijden.

En zelden trad mij heerlijk
òf tegen, òf op de tenen,
de geestdriftige kunstontkenner,
ongeremd schetterend over ànder,
waarneembaar schoons:
lief plomp als een plompeblad in legergroene sloot,
frietsaus schreiend naakt onder pet met pompoen
en lekker nauwelijks geletterd.
als eerstgenoemd schilderij al evenzeer bleef
waar toch subsidiekommissies en rijkaards
reikhalzend naar taalden.

Nee, met mijn gemankeerde museumstukken
moest het allemaal zo nodig gebeuren:
ai, achter diafaan behang geplakt,
van meerkuppige varkensharen bustehouders
gestript, doorhageld, -sneeuwd. verwoed gedronken,
kapitaal en kursief gedrukt
op de laatste bladzijde van haast alle spoorgidsen.
met teer, veren, brandhout
panklaar gemaakt
voor een soupergang met kwalsla:
ziedaar mijn vergooide doeken,
mijn luchtig theoretische rechthoeken
waarin vorm en kleur. maar wel
geweven, dàt wel. gegrond,
tot hoog sidderen uitgespied. gekieteld
om verontachtzaamd te worden

door mij, maar niet door wie daar
plakten en stripten. hagelden en teerden:
sommige schilderijen werden
voltooid voor mij in de afgelopen jaren;
zij maakten zichzelf a.h.w.
per provokatie.

___________________________
Jan G. Elburg (Wemeldinge 1919 - Amsterdam 1992) wordt tot de vijf Vijftigers gerekend. Zijn werk werd meerdere malen onderscheiden, o.a. in 1976 met de Constantijn Huygensprijs.
Het hier opgenomen gedicht maakt deel uit van de bundeling Dodemansknop (1975), zoals die voor het eerst werd gepubliceerd in de verzamelbundel Jan G. Elburg, Gedichten 1950-1975Het wordt hier gepubliceerd met de vriendelijke toestemming van © Michèle Elburg / de erven Jan G. Elburg.

ANNE-MARIE BEECKMAN - DE HEMEL & ANDERE VERHALEN

voorafgegaan door
laatste reis

met een collage van Pierre Rojanski

laatste reis
                                                   aan Pierre Peuchmaurd

Ik volg het spoor van afgebroken takken van de menseneter. Maar de lianen slaan niet in mijn gezicht. En de wind brengt me mijn bagage van as.

Ik wilde de boog van de aarde trouwen. Ik herinner mij een paard dat zich verveelde en ook de lege zadelholsters; bij ons afscheid stak hij zijn neus in de holte van mijn schouder.

Ik ga ervandoor in mijn groene wapenrusting. Alles hangt af van de tijd die verloopt. Ik verstop een nest in het marszeil.

                *

Ik doorkruis de jonge azoren. Ik zie dat het mooi weer is en dat de dijken leeg zijn. De top van de golven speelt spotvogeltje. De klippen sproeien vonken. Tegelijk met de bladeren vallen grote dode zwanen op de grond.

De woestijn zet zijn vlammende perenwijn rechtop. Als ik mij omdraai ontluistert de regen de walvissen.

Zoeloes staan in de weg. Ik verander van koers. Het stuur wil niet meebuigen. Er is alleen nog het beeld van ontwortelde bomen op mijn netvlies en kinderen die op asfaltstraten kauwen.

*

Daar beneden ligt een grasmat, tijd om croquet te spelen. Daar boven spat een waterval onophoudelijk uit elkaar. Een prins is aan het oxideren.

Wie gaat de winnaar van de wielerwedstrijd kussen? Op de kermis schiet ik op verloofde paartjes en hun smerige stenen pijpen.

Ik draag mijn geheugen als een monumentale tulband. Maar de himalaya dan! Ik vergat de himalaya! Ach! Het ijs dat mijn hart beknelt is puur.

*

Ik leg wat meer nadruk op het lidwoord van de dood. Waar gieren mij gehoorzamen.

Ik herinner mij een schip en het kermen in jouw rijk. Ik herinner mij een bed met verstrengelde benen. Ik maak me meester van gebieden waar water over water stroomt. De lucht wordt ijl en tibet wordt overspoeld door de Gimellestroom.

Ik voel me een oude vrouw, moet even gaan zitten op deze bank. De zee beroert zijn diepten, hij stort koud water over mijn knieën. De liefde slaakt een hartverscheurende kreet.

                *


de hemel en andere verhalen


Aarden potten staan in de vierkante zaal; om de hals van de prinses hangen geoliede vogels.

*

De lucht is zacht rood en de vogel, net uit het bed gegooid, is blauw. Het is een hemel als een zaag: Gods snavel boort zich vast in de kast.

*

Het is een duivenlucht, de lucht is molgrijs. Ik ben een en al oog. Paars gromt boven de kraampjes. Het vervolg is rood.

*

Waar zijn de heliconblazers, waar de Chinese bobines? Een staalblauwe hemel legt sterren. Ik trek de gordijnen met de reigerpoten op. Een waterlelie ligt klem in de waterschotel.

*

Dat zou een jong vogeltje kunnen zijn. In de takken hangen de jurk, het keurslijfje en de slangenkop, het hemelsblauw en zijn huig.

*

De lucht is van gerstenat. De tafel is gedekt, een galgele meloen.

*

Midden tussen de sterren is een hemel van blauw pleisterwerk. De vogel richt zich langzaam op. Welk uur viel er in de put? De vechtjas strijkt zijn veren glad. Op de putrand worden je borsten koud.

*

In de kooi van de stilte zit de vogel met het doorgeprikte oog. De zon schenkt zijn vesting in de schedels leeg. Een maagd strijkt neer in een dorre boom. Ze knoopt de capuchon van haar buik open. Er ontstaat een burgeroorlog. De zware vogel der puinhopen is gekomen.

*

De doek van as wordt van de put getrokken. Een lucht van was. Een hemel van vernieling. In de hemel komt de vloed op.


     Vertaling uit het Frans door Laurens Vancrevel.

_______________________________

Le ciel & autres contes van Anne-Marie Beeckman verscheen oorspronkelijk in januari 2014 bij uitgeverij Pierre Mainard te Nérac (Gironde). Ander werk van Beeckman in Nederlandse vertaling verscheen eerder op Het Moment.

Pierre Rojanski is een bekende Franse collagist. Samen met Anne-Marie Beeckman maakte hij in 2015 het boek Imagerie d’Épinal.

THEODORE ROETHKE - DE VLEERMUIS


Overdag is de vleermuis een neefje van de muis.
Hij houdt van de zolder van een vervallend huis.

Zijn vingers trekken een kap over zijn hoofd.
Zo laag is zijn hartslag dat hij lijkt verdoofd.

De halve nacht scheert hij in lussen zonder bedaren
Tussen de bomen tegenover de straathoeklantaarn.

Maar komt hij tegen een raam aan gevlogen,
staat de schrik ons af te lezen in de ogen,

want iets ontbreekt er of is ontwricht
Aan gevleugelde muizen met een mensengezicht.


         vertaling Len Denessen
___________________________
Theodor Roethke (1908-1963), Amerikaans dichter. ‘The Bat’ is afkomstig uit Collected Poems of Theodore Roethke, 1938.


R.B. KITAJ - WAAR HET SPOOR DE ZEE VERLAAT

Where the Railroad Leaves the Sea (1964) - Museo Nacional Reina Sofia, Madrid
De schilder R.B. Kitaj (Chagrin Falls, Ohio 1932- Los Angeles, 2007) deinsde er niet voor terug zelf commentaar te leveren bij zijn schilderijen, integendeel. Het kijken naar zijn eigen werk bracht hem ook tot nieuwe verhalen, zoals verhalen hem tot het maken van schilderijen konden aanzetten. ‘Sommige boeken hebben plaatjes en sommige plaatjes hebben boeken.’ Hieronder vier van zijn ‘voorwoorden’ of verhalen bij vier van zijn schilderijen. Met dank voor de toestemming van © ® The R.B. Kitaj Estate, Los Angeles.

Waar het spoor de zee verlaat

Het enkelspoor verliet de zee in een Catalaans havenstadje dat ik in de jaren vijftig goed kende en waar ik van hield; ik was gehuwd met een ongelukkige, ontgoochelde man die stierf aan zijn gebroken hart toen ik met de maker van dit schilderij aan het volgende hoofdstuk van mijn leven begon.
            Mijn schilder, die inmiddels eveneens is overleden, had zijn hele leven in dat stadje gewoond. Ik trok bij hem in, in zijn kleine vrijgezellenwoning vlakbij het oude station, het station van het schilderij, waar hij ons kussend weergaf, zoals je kunt zien. Het spoor, het kleine regionale station en die huwelijken behoren allemaal tot de verleden tijd. Toevallig kwam er een einde aan toen Franco stierf. Ik woon nu in Londen, met dit schilderij. Als het boemeltje uit mijn meisjesjaren tjoekte het treintje van Barcelona langs de kust, om alle bitterzoete badplaatsjes aan te doen voordat het bij onze haven uitkwam, waar de oude loc op een draaischijf werd gereden en werd weggedraaid van de zonnige ochtendzee om aan zijn route landinwaarts richting provinciehoofdstad Gerona te beginnen.
            Mijn schilder, Eusebio, had nooit met een vrouw samengewoond, behalve met zijn moeder, die een jaar voordat ik bij hem kwam was gestorven. En toen gebeurde er iets opmerkelijks. Bijna van de ene dag op de andere hield hij op met het schilderen van die kleine, toeristische, hoewel knap gemaakte stadsgezichten waar hij in Catalonië mee bekend geworden was (hij was een jaar of vijftig), en hij begon eigenzinnige technicolorschilderijen te maken over mij en over ons, zoals dit, in een nieuwe stijl, in meerdere nieuwe stijlen eigenlijk, wat, vrees ik, het kleine aantal kopers van zijn werk afschrok. Afgezien van het schilderen van mij, bleef Eusebio zijn oude gewoonten erop nahouden. Elke vrijdag gaf hij me een afscheidszoen in de betegelde wachtkamer van het station en stapte hij in dat treintje langs zee naar Barcelona om er het weekeinde door te brengen, voornamelijk in goedkope bordelen. Ik weet niet waarom hij me met een blote borst heeft weergegeven en ik heb hem er ook nooit naar gevraagd. Zo begrijp ik ook niet de schriftuurachtige gebaren waarmee hij de contouren van zijn eigen hoofd neerzette, als een handtekening. Maar hij was op zijn bescheiden wijze best een dandy, een kleinstadflaneur, ook in de sombere buurt waar we woonden, en deze vorm van verbeeldingskunst of hoe je het noemen wilt, werd zijn elegante manier om zich te verhouden tot een grote wereld die hoe dan ook nooit van hem zou vernemen. Maar ik ben er vast van overtuigd dat zelfs als hij met zulke schilderijen als dit furore zou hebben gemaakt, het wereldse succes Eusebio niet meer zou hebben opgemonterd dan de eloquentie van het dagelijkse levensritme die je alleen maar kon kennen van die vergeten stegen met hun vochtige huizenrijen, een ondraaglijke eloquentie die ik nu mis. Zie je mijn verrukking niet, hoe gelukkig ik er op dit schilderij uitzie?


If Not, Not (1975-6), Scottish National Gallery of Modern Art, Edinburgh
Als niet, niet

Op het schilderij komen twee hoofdlijnen samen. De ene is die van een soort schatplichtigheid aan The Waste Land van T.S. Eliot met zijn (grotendeels onverklaarde) familie, bestaande uit een losse assemblage. Op zijn beurt gebruikte Eliot Heart of Darkness van Conrad, en de stervende figuren tussen de bomen aan de rechterkant van mijn doek verwijzen op een soortgelijke wijze naar de lichamen die bij Conrad op de rivieroever liggen.
            Eliot merkte over zijn gedicht op: ‘Voor mij was het alleen een uiting van een persoonlijk en volstrekt onbeduidend gemopper tegen het leven; het is gewoon een stuk ritmisch gemor.’ Dat is mijn voorstelling ook… maar hier heeft het gemopper te maken met wat Winston Churchill benoemde als ‘de grootste en afschuwelijkste misdaad die in de hele wereldgeschiedenis is begaan’…  het vermoorden van de Europese Joden. Dat is het tweede hoofdthema, overschouwd door het poortgebouw van Auschwitz. Dit thema valt samen met de Waste Land gezien als de voorkamer van de hel. Er zijn (omstreden) passages in het gedicht waarin verdrinken, de ‘Verdrinkingsdood’, in verband wordt gebracht met of de dood van iemand die de dichter goed kende of de dood van een Jood… – net als bijna het hele gedicht zitten deze passages vol toespelingen.
            De man in bed met een kind is een zelfportret dat een detail vormt op het braakliggende terrein in het middendeel waarop ook verspreide brokstukken te zien zijn (zoals de kapotte Matisse-buste), erin opgenomen als in een modderzee. De betekenis van deze verstrooide en achtergelaten dingen kwam voort uit een schilderij van Bassano, waarvan ik een detailreproductie had waarop de grond na een gevecht te zien is. Liefde overleeft het geschonden leven 'tussen de kraters', zoals iemand over het gedicht opmerkte.
            Het totaalbeeld van de voorstelling werd geïnspireerd door de eerste keer dat ik, toen ik Venetië bezocht, de ‘Tempesta’ van Giorgione zag; het kleine meer in het hart van mijn doek verwijst ernaar. Hoe dan ook, water, dat vaak een hernieuwing van het leven symboliseert, staat hier stil in de schaduw van een verschrikking… niet veel anders dan de rol van water bij Eliot. In mijn notities voor dit schilderij staat iets over een treinreis die iemand van Boedapest naar Auschwitz maakte om er een indruk van te krijgen wat de verdoemden konden zien tussen de planken van hun veewagens (‘prachtig, gewoon prachtig platteland’)… Ik weet niet wie dat zei. Daarna las ik dat Buchenwald werd neergezet op dezelfde heuvel waar Goethe vaak met Eckermann wandelde.


Desk Murder (1970-80)
Bureaumoord

Het komt erop neer dat het onderwerp van deze voorstelling haat is. Pas toen ik de necrologie van Herr Walter Rauff had gelezen wist ik dat mijn schilderij af was. Ik was er jaren niet mee bezig geweest in zijn metafysisch isolement, maar de laatste streek die moest worden aangebracht zou de uiteindelijke titel moeten zijn. Veertien jaar eerder had ik het werk ‘Testestudie’ genoemd, naar Paul Valéry’s bewustzijnsgerichte Monsieur (geïnspireerd op Degas), die me in mijn jeugd zo had weten te boeien. Vervolgens heette het een tijdlang ‘Bureau Drie’ (politieke politie; al warmer). Ik denk dat de nieuwe titel perfect is omdat de omstandigheden in de voorstelling er zo bij passen.
            Herr Rauff, Schreibtischtäter (bureaudader) was dood, maar ik kon dit bureauschilderij nu naar buiten laten zeilen, met een tikkeltje meer vertrouwen, dezelfde wereld in waar zijn maten nog leefden, zoals degenen die bij zijn graf in Chili de Hitlergroet brachten. Er zullen mensen zijn die lachen om mijn onnozelheid ten aanzien van de mogelijkheden van de schilderkunst (alsof het überhaupt mogelijk zou kunnen zijn om historische treurnis uit te drukken), maar ik weet wel dat het in elk geval mezelf een beetje gemotiveerder maakt om een schilderij op mijn manier te laten ‘werken’, en daarmee bevat het toch een heel klein lesje in kunst. Laat ik verdergaan:
            Het is ongelooflijk, maar er bevond zich ooit een marineofficier in mijn schilderij, tot ik hem jaren geleden verwijderde. Rauff, zo begreep ik nu, was als marineofficier mislukt en ging bij de SS nadat de zeestrijdkrachten hem hadden afgedankt. Op een bepaald moment gedurende het leven van deze voorstelling plakte ik er een stuk linnen op waar ik iets op tekende wat op een of ander apparaat leek wat rook uitblies. Rauff was het heerschap dat de rijdende gaswagens ontwierp die de Einsatzgruppen in Oost-Europa gebruikten voordat de Duitse moordcentra operationeel werden. Eindelijk wist ik wat mijn raar kunstje te betekenen had. Ik had zelfs het lot aan me verplicht door mijn compositie met rouwzwart te omkleden en er een ongedurige geest in te schetsen. Het moordkantoor is leeg en mijn banale voorstelling van het kwaad heeft, net als Rauff, zijn einde gevonden, de intentie ervan is, zoals Helen Gardner over The Waste Land zei, veranderd in zijn vervulling.

Apotheosis of Groundlessness (1964) Cincinnati Art Museum
Apotheose van grondeloosheid

Kinderen houden van illustraties bij verhalen. Dit korte verhaal is een illustratie bij mijn schilderij waarop de personages niet in beeld zijn. Er was eens een rijke en getalenteerde man met de naam Bob Maillart, die net in een lege opslagloods was getrokken die hij wilde gaan inrichten. Die opslagloods bevond zich in de grote, schitterende stad Parijs, in een oude achterafsteeg op de Linkeroever, met mist en allerlei andere sfeerelementen waar het Quartier Latin om bekend staat. Een zekere meneer M. Bill belde op, hij wilde Bob ontmoeten, en die nodigde Bill uit op bezoek te komen. Deze twee mannen hadden elkaar nooit mogen tegenkomen, want ze maakten elkaar van begin af aan nerveus en opgefokt, wat buitengewoon jammer was, want ze deelden veel interesses. Maar ze waren allebei zowel fysiek als geestelijk ietwat labiel toen ze elkaar troffen en ze irriteerden elkaar, aanvankelijk op een lichte manier, maar al gauw liep het op een ordinair drama uit. Bill had ook zo zijn talenten en hij had een topbaan, maar hij hunkerde naar het soort vrijheid dat je met geld kunt kopen, en hij begon de indruk te krijgen dat Bob hem dat kwalijk nam en dat hij in een val was getrapt door zijn verzoek om een ontmoeting en gesprek. Al gauw besefte Bob dat het lot een gezamenlijke toekomst voor hen uitgesloten had en dat hij een ernstige fout had gemaakt door Bill uit te nodigen, hoewel hij ernaar had uitgekeken hem te ontmoeten. Ze waren landgenoten. Bob bood Bill aan hem zijn nieuwe onderkomen te laten zien en dus leidde hij Bill rond in zijn kleurrijke vroegmoderne opslagloods (zie het schilderij), waarbij hij Bill van alles vertelde over de sjofele geschiedenis ervan, met anekdotes over de romantische wijk en zijn bewoners, hem aanwees waar hij (in de opslagloods dus) zijn boeken en schilderijen wilde neerzetten, vertelde dat hij niet meer dan een paar stoelen erin wilde hebben staan en misschien een tafel naast het bed, dat op dat moment pas het enige voorwerp in de hele ruimte was – je kunt het bed op mijn schilderij niet zien omdat ik het nog niet geschilderd heb. Bob liet zich meeslepen door zijn eigen gebaren en zijn opschepperij over de mooie vrouwen die uit de oude straten naar zijn loods zouden komen zo gauw hij zich beter voelde. Bob was een heel gevoelige man. Hij had dan ook snel in de gaten dat Bill, die al net zo gevoelig was, nauwelijks reageerde op wat hij hoorde en zag, in de opslagloods zoals je die zelf kunt zien, met zijn eindeloze niveaus en perspectieven, met zijn ruimtelijkheden en hoeken, met de fijn genuanceerde pasteltinten en dat hartverscheurende Parijse licht dat zich in Bobs nieuwe onderkomen verspreidt door de bovenlichten uit de eeuwwisseling en waardoor het geheel lijkt op een plaatje in een verhalenboek. Bill begon Bob langzaam maar zeker te haten. Bob besefte dat hij te veel had gepraat, dat hij zoals gewoonlijk alleen maar verkeerde dingen had gezegd en Bill kwaad had gemaakt, maar het was te laat. Allebei voelden ze zich onpasselijk, doodop en gekrenkt. Bill bracht Bob om en belandde in de gevangenis en uiteindelijk in de hel.


        vertaling HB