FRANCIS PONGE - UIT: HET ZAKBOEKJE VAN HET PIJNBOOMBOS

Fragment uit de in het voorjaar van 2018 bij Uitgeverij Koppernik te verschijnen, van een nawoord door vertaler Christian Hendrikx voorziene integrale vertaling van Le Carnet du bois de pins, geschreven in 1940, waarin Ponge probeert tot een gedicht en zodoende tot een benadering van het pijnboombos te komen.

[…]

9 augustus 1940 - avond

Nee!
        Ik moet beslist op het genot van het pijnboombos terugkomen.
        Waar bestaat dat genot uit? – Voornamelijk hieruit: het pijnboombos is een stuk natuur, bestaande uit bomen die allemaal onmiskenbaar tot een bepaalde soort behoren; een duidelijk afgebakend perceel, meestentijds nogal verlaten, waar je beschutting tegen de zon vindt, tegen de wind, tegen het gezien worden; echter geen volledige beschutting, niet afgeschut. Nee! Het is een betrekkelijke beschutting. Geen heimelijke beschutting, geen gesloten beschutting, maar een hoogstaande beschutting.
        Ook is het een plek (en dat is het bijzondere aan het bos van pijnbomen) waar je gemakkelijk vooruitkomt, zonder struikgewas, zonder takkenwerk op ooghoogte, waar je droog kunt gaan liggen, niet echt zacht, maar gerieflijk genoeg.
        Elk pijnboombos heeft iets van een natuurlijk sanatorium, ook iets van een muzieksalon… een kamer, een ruime kathedraal voor bezinning (een kathedraal gelukkig zonder kansel), die voor alle winden openstaat, maar via zoveel deuren dat het lijkt alsof ze gesloten zijn. Want de winden stokken er.

*

O achtenswaardige zuilen, bedaagde masten!
Bejaarde zuilen, tempel van de bouwvalligheid.

*

Niets vrolijks, maar wat een heilzaam comfort, wat een evenwicht van elementen, wat een muzieksalon, ingetogen geparfumeerd, ingetogen gesmukt, geschikt voor een echte wandeling en voor bezinning.

*

Hier is alles, zonder teveel, erop gericht de mens zichzelf te laten zijn. De vegetatie, de levendigheid zijn naar de hoogte gevoerd. Niets wat de blik afleidt. Door die verveelvoudiging van gelijksoortige zuilen is alles gericht op het brengen van rust. Niets dat anekdotisch is. Hier houdt alles de nieuwsgierigheid verre. Maar dat allemaal haast onwillekeurig en midden in de natuur, zonder scherpe afscheiding, zonder geforceerde beslotenheid, zonder grote gebaren, zonder slag of stoot.
        Hier en daar versterkt een afgezonderde rotsblok de aard van deze eenzaamheid nog en verplicht tot ernst.

*

O natuurlijk sanatorium, kathedraal gelukkig zonder kansel, muzieksalon die zo   discreet
                                         zacht en verheven
naar de hoogten is gevoerd (zo wild en tevens zo verfijnd), salon voor muziek of bezinning – oord geschapen om de mens midden in de natuur zichzelf te laten zijn, met zijn gedachten, het volgen van zijn gedachten…
        … Om me voor je voorkomendheid erkentelijk te tonen, om je verfijndheid te kunnen volgen, jouw tact (zoals ik instinctief zelf ben) – zal ik binnen in je geen gedachte toestaan die jou vreemd is, jij zult het zijn over wie ik me bezin:
        ‘Tempel van de bouwvalligheid, enz.’

*

‘Ik geloof dat ik het ware genot van het pijnboombos begin te vatten.’

12 augustus 1940

Eindeloos veel gezichtshoeken en zigzagbewegingen maken het pijnboombos tot een stuk natuur dat geschikter is dan wat dan ook voor de rust en de bezinning van de mensen.
        Geen geritsel van bladeren. Maar er zijn zoveel dunne naalden tegen zowel de wind als het licht geschikt, dat het temperend werkt, tot een bijna volledige opheffing, een wegvallen van de aanvallende eigenschappen van die elementen, en het intense geuren vrij laat komen. Het licht en ook de wind worden gedempt, gefilterd, geremd, omgezet in iets milds en,  bij wijze van spreken, goedaardigs. Terwijl de stammen van de bomen volkomen onbeweeglijk staan, worden de kruinen alleen maar wat gewiegd…

12 augustus – avond

Het pijnboombos is ook een soort hangaar, het heeft de bouw van een hangaar, van een binnenhof of een hal (hall).
        Bedaagde masten met groene kegelvormige borstels er bovenin. Wat borstels betreft: sparren zijn donkergroene draaitollen (maar dat is een ander verhaal).

*

Hallen met geur verspreidende naalden, plantaardige haarspelden, auditorium voor zwermende insecten, o tempel der bouwvalligheid (bouwvalligheid van takken en schors) waarin de gewelfbogen – auditorium – solarium voor zwermende insecten – worden gestut door een woud van bedaagde masten, helemaal bedekt met korstmos, gekroesd als oude creolen…
        Trage fabriek van hout, van masten, van deurstijlen, van palen, van balken.
        Woud zonder bladeren, welriekend als de kam van een roodharige.

*

Bevind ik, insect, me in de borstel of de welriekende kam van een reuzin…?
        … Woud waar de haren bij bosjes uitvallen.

*

Als bladeren op veren lijken, lijken de pijnboomnaalden veeleer op haren.

*

Stevige haren zijn het, als de tanden van een kam.
        Borstelharen maar stevig als de tanden van een kam.
        Bevind ik me midden in het borstelwerk (borstel, kam en haren) van een welriekende rossige reuzin… En met muziek, vibrerend in de gewelfbogen, van zwermende insecten, een miljoen dierlijke vonkjes (sprankelend)…?
        … Terwijl een van haar fijne zakdoekjes in de blauwe hemel erboven zweeft.

13 augustus – ochtend

Proberen we samen te vatten. Je hebt er:
Het gemak

a) om er te lopen:
geen lage takken
geen hoge planten
geen lianen.
Dik tapijt. Enkele rotsblokken als meubilair.

b) en om je er te bezinnen:
tempering van het licht, van de wind.
Niet opdringerige geur.
Niet opdringerige geluiden, muziek.
Gezonde atmosfeer.
Leven in zichzelf.
Zachte muzikale begeleiding, con sordino.

Gemakkelijk vooruitkomen tussen zoveel zuilen, met bijna verende stappen, op dat dikke tapijt van plantaardige haarspelden. Behaaglijk labyrint.
        Hoe ontspannen je tussen deze zuilen loopt, tussen deze bomen die zich zo eenvoudig van hun afgetakelde takken hebben ontdaan!

13 augustus – namiddag

Voortdurend vormen, vergroten en verdichten zich op talrijke plaatsen op aarde meer of minder omvangrijke bouwsels, waarvan ik een model wil proberen te beschrijven:
        Ze bestaan uit een benedenverdieping met een heel hoog dak (hoewel deze laatste benaming niet adequaat is),  met daarboven een heleboel etages of veelmeer een buitengewoon ingewikkeld stelsel dat hogere etages, dak en overwelvingen vormt.

        Strikt genomen is er net zomin een dak als dat er muren zijn: het heeft eerder iets van een hal of een binnenhof.
        Talrijke zuilen dragen die afwezigheid van een overwelving.

17 augustus 1940

Ik kwam de namen van Apollinaire en Léon-Paul Fargue weer tegen… en ik schaam me voor de schoolsheid van mijn kijk: gespeend van plezier, gespeend van originaliteit. Alleen dat naar buiten brengen wat alleen ik kan zeggen. – Ik heb net mijn aantekeningen over het pijnboombos herlezen. Er staat weinig in wat waard is bewaard te worden. – Wat ik belangrijk vind is de ernst waarmee ik het onderwerp benader, en van de andere kant de zeer grote trefzekerheid van de uitdrukking. Maar het is noodzakelijk dat ik me losmaak van een neiging om platte en conventionele dingen te berde te brengen, want dan is het volstrekt zinloos om te schrijven.

Pijnboombossen, treedt uit de dood, uit het onopgemerkt zijn, uit het niet bewuste!
        Onoverzienbare veelheid, hof van    zuilen
                                                                bedaagde masten,
overdekt met hoogste etages en met een gewelf van miljoen groene, elkaar kruisende naalden.
        En op de grond een dikke, verende laag haarnaalden, soms opgetild door de pipse en behoedzame nieuwsgierigheid van paddenstoelen.

*

Fabriek van dood hout. (Ik betreed die belangrijke fabriek van dood hout.) Wat daarin zo aangenaam is, is de volmaakte droogheid. Die voor vibraties en muzikaliteit instaat. Iets metaalachtigs als het ware. Aanwezigheid van insecten. Geuren.

Kom te voorschijn, pijnboombossen, kom te voorschijn in de taal. Men kent jullie niet. – Kom met jullie formulering. – Jullie zijn F. Ponge niet voor niets opgevallen…
[…]

© Gallimard, Parijs / Nederlandse vertaling © Christian Hendrikx & Uitgeverij Koppernik, Amsterdam
____________________________

Francis Ponge (Montpellier 1899 - Bar-sur-Loup 1988), Frans dichter, essayist van o.a. Le Parti pris des choses (1942), La Rage de l’expression (1952), Le Savon (1967). Hij ontving de Prix international de poésie en werd onderscheiden als officier van het Légion d’honneur. Zijn verzamelde werk verscheen in twee banden in de Pleiadereeks. Le Carnet du bois de pins verscheen in 1947.

JOOST DECORTE - ZES GEDICHTEN

uit ‘De weg’

                   4

Zo zal het zijn als ik mijn moeder mis. Stof dat niet wil liggen,
Een bijziendheid die bedriegt en het herbergzame samendringt
Rond dingen die we verordend hadden vroeger te verdwijnen.

Weerstand heeft de weemoed van de horren.

Een flinterdun stramien van tijd doorzeeft de zomers:
Netelbrand, geslepen glaswerk en van haar stem de ondertonen
Schikken zich tot een schema van verwant geluk,
Warmte,

Vanwaar de naderende beet:
Wie dit beeld kan samenbrengen in één dag, één lichaam ontbreekt
Telkens in een ander licht.

Het is een sneeuwen dat de winter weigert en teder
Dat het eerder in het later zinkt.
Zo slaapt mijn vrouw soms in de armen van mijn kind.


                  5

Geen vriendschap, maar een manier om te ontkomen,
Om uitholling te hullen in goede omgangsvormen,
Vreemden in mezelf vertrouwd te maken en te leren
Hoe ze niet op eigen benen kunnen staan.

Een ander meet mij een houding aan,
Zijn verwachting maakt mij buigzaam en binnen zijn patronen
Win ik veld, weef ik hetzelfde goud door dezelfde nerf,

Verpop in de zijde van een koning.

Om wat mij bezielt, belaagt
Te leggen op een schouder die mijn tafel schraagt,
Is mij de ander eender: zie de wapendrager, volleerd
Bij het landschap niets te zijn en bij de ander niemand.


                   6

Uit welk gelaat ben ik gesneden, Lief,
Dat het mij zo moeilijk valt op mezelf te gelijken? Ik heb geen gezicht
Of het is behaagziek,

Geen mond of het is om naar de mond te praten
Die de wegen wekt waarlangs ik je mis.

Terwijl toch ook god opschrikt, gorsgeel in de heggen
En het bidt in mij: het landsdeel zij verbrand
Dat de afstand uitstaat in de liefde.

Ik voer je slakken, schors om je te vertragen, je beter bij te kunnen blijven,
Me bij jou in te lijven tot mijn afwezigheid in je zorg zacht staat ingedrukt.

Traag is de taal die mijn handen samenvouwt:
Je bloedt me aan mijn randen dood,
Ik ben maar voor zover ik achterblijf in jou.


                   12

Zo zal het zijn als ik mijn vader mis.
De wilg zet zijn drakars op het water en scheept de namen in
Losgewrikt uit hun verbintenis.

Zwartwild stroopt de akkers af,
Onder keien blijft het ongedierte voorwereldlijk stil
Als ik stalziek

Nieuwe banden smeed met oud gerief.
Hand in hand, aan de getijdenrand van het geheugen
Vinden we mandenvol bosbes, zeester en goud dat ik versleep

Naar dit terrein van golfplaat en blik, waar ganzen grazen,
De dagen sneller gaan,
Mijn roem in de schaduw van de tuinen tanend is.

Hand en heup dragen zich te barsten en hoe
Kom ik terug op de weg die zich hem herinnert?


                 13

Genoeg.

Ik ben niet meer thuis in dit gedicht. Ver voorbij mijn hand
Weeft de herfstspanner zijn mantel van mist, mos glazuurt het hout
En ligt als een wapenspreuk te blinken.

Onder mijn armen schuiven dromen door:
Gekarperd water, zongevlekte vis, wereldkaarten van het mezenei.

En wij? Wij praten ons het schuim op de mond,
Wisselen versprekingen uit, verdelen ’s avonds aan vuile tafels buit
En tellen de verliezen.

Dan de slaapbeweging van het graan, haar woordloze deviezen:
Dwing de stilte tot de rand,

De weg geneest de afstand.


                   14

En is de dag niet van mij omdat ik wacht?
En is de nacht niet van mij omdat ik wacht?

Ben ik vervaagd of als een kind met angst verhevigd daar
Waar hij komen gaat, de elzenkoning?

Ik bevind mij in wat ik zoek.
De prent vertelt over de warmte van de vacht: nu is van meet af
Een vluchtpunt voorbij het einde.

Bid bij de broedplaats voor behoud,
Voed het sperrend uur met honger
Alsof het licht geen einde neemt in het rillend loof:

Het is een smal nest van verbeelding waaruit ik mijn bestaansrecht roof.




________________________
Joost Decorte (*Hove, 1971) studeerde filosofie en kunstgeschiedenis in Antwerpen en Leuven. Hij publiceerde gedichten in Het Liegend Konijn, Poëziekrant en Deus Ex Machina.

Onlangs verscheen zijn bundel Stalker (Poëziecentrum, Gent 2017). Bovenstaande gedichten maken deel uit van de afdeling ‘De weg’ in deze bundel. ‘Ik bevind mij in wat ik zoek’ is ontleend aan het gelijknamige essay van Willem Jan Otten. 

JEAN PAUL - 14 AFORISMEN OVER LITERATUUR EN NOG ENKELE OVER IETS ANDERS

–       Allen die slechts voor mensen van één vakgebied schrijven, bijvoorbeeld theologen, schrijven slecht.
–       Zolang een mens een boek schrijft, kan hij niet ongelukkig zijn.
–       De meesten praten origineler dan ze schrijven.
–       De nieuwste gedachte veroudert onder de hand van een gemiddelde schrijver, de oudste verjongt zich onder de hand van een goede.
–       Het is mooier naar een mooie omgeving te kijken dan die te betreden.
–       Een roman is een veredelde biografie.
–       Ik ergerde me over het lawaai van mensen onder me en kon pas in slaap vallen nadat ik erachter gekomen was dat het paarden waren.
 –      Je houdt nog van de plaats van de liefde als je voor de persoon niets meer voelt.
–       Een grappige, jolige schrijver is dat in het begin van zijn boek het meest.
–       Schrijvers verwarren plezier in het maken met het gemaakte en hebben een tijdje een te hoge dunk van zichzelf.
–       De ijdele, zelfingenomen schrijver verraadt zich door zijn held die hij te veel met zichzelf rekening laat houden.
–       Slechte schrijvers moet je voor, goede na hun boeken leren kennen, om de eersten voor hun boeken en de anderen tegenover hun boeken te excuseren.
–       Gebrek aan zwijgzaamheid komt meestal voort uit gebrek aan gespreksstof.
–       Een schrijver toont zichzelf niet volledig in zijn romanpersonage omdat hij nogal wat van zijn trekken over moet houden om aan de andere romanfiguren te lenen.
–       Hoe dan ook zal bij eenzelfde aanleg het onterechte vertrouwen in talenten meer opleveren dan het onterechte wantrouwen erin; het ene spant aan, het andere verlamt.
–       Ik kan me voorstellen dat een echte dichter een echte koopman begrijpt en zelfs hoogacht, maar niet omgekeerd.
–       Boeken zijn alleen maar dikkere brieven aan vrienden.

vertaling Len Denessen
_______________________

Jean Paul, eigenlijk Johann Paul Friedrich Richter (1763-1825), was een Duitse schrijver.

BART VERVAECK - LEVEN EN DOOD IN HET HARNAS

Iedereen die op een begrafenis een herdenkingstoespraak heeft gehoord, weet het: een in memoriam is altijd ook een zelfportret. In de literatuur is dat niet anders. De requiems voor een overleden geliefde, vriend of familielid beschrijven niet alleen de overledene, maar ook en misschien zelfs vooral de nabestaande die aan het woord is. De herdenking is een dubbelportret of een duet. De nieuwe roman van Charlotte Mutsaers, Harnas van Hansaplast, neemt deze dubbelheid als uitgangspunt én als doelstelling. Aan het woord is een vrouw die op vele manieren met de schrijfster verbonden kan worden. Zij herdenkt haar acht jaar jongere broer, Barend, die op 29 december 2001, op 51-jarige leeftijd, dood gevonden werd in het ouderlijke huis, ‘in een gloednieuw pyjamajasje zonder broek’, ‘slechts omringd door grote stapels porno’.
Broer en zus zagen elkaar zelden, Barend leefde vereenzaamd. De vertelster wil de afstand, die nu voorgoed een kloof geworden is, tegelijkertijd overbruggen en verwoorden. Ze wil niet empathisch versmelten met haar broer, niet doen alsof zij hem perfect kan begrijpen. Dat wou ze eerst wél en net daardoor mislukte haar boek telkens opnieuw. ‘Om hem recht te doen kan ik me beter beperken tot wat ik ontdek en me herinner zonder elke keer met een verklaring of een oordeel af te komen en zonder me al te veel met hem te identificeren.’ Ze wil met andere woorden de eigenaardigheid van haar broer niet wegredeneren of door identificatie wegpoetsen; ze wil die eigen aard net ontdekken. Haar eigen persoonlijkheid blijft bij dit alles belangrijk. De vreemdheid van Barend ziet ze als een uitvergrote versie van haar eigenzinnig karakter: ‘Misschien had ik dit boek de titel Alles in het groot moeten meegeven. Ondanks alle verschillen bezat Barend namelijk tal van mijn eigenschappen, voorkeuren en hebbelijkheden in het groot.’
Harnas van Hansaplast is een studie in eigenaardigheid, uitgevoerd door een eigenzinnige onderzoekster, die, zoals de media ontsteld en ontstemd meldden, geen verklaringen of veroordelingen zoekt wanneer haar broer ontspoort en kinderporno koopt. Voor de lezer die de vertelster met de schrijfster identificeert, is haar gebrek aan inleving bijna hallucinant. Ze ontdekt een kist vol porno, ‘opgevuld met mannen-, vrouwen- en kindervlees’, lacht en denkt: ‘Eet smakelijk.’ Het afgrijzen van haar zus, A., deelt ze niet: ‘Het is zoals het is.’ Ze belt een pornoboer, verkoopt de ‘handel’ voor 5000 euro en heeft achteraf slechts over één ding spijt: dat ze te weinig heeft gevraagd. ‘We zijn duidelijk bedrogen met die vijfduizend voor de hele zooi.’ Geen woord over het misbruik van kinderen, geen spat medelijden. Walgelijk, denkt de lezer, maar tegelijkertijd illustreert deze houding beter dan elke moralisering het hoofdthema van dit boek: het problematische contact en het wankele inlevingsvermogen als gevolgen van een scheve gezinssituatie. Het probleem van de (ontbrekende) empathie wordt hier scherp gesteld, scherper dan de lezer wil. De zoektocht naar de oorzaken van dat tekort is geen reis naar verre oorden, maar een bezoek aan het ouderlijk huis. De oorzaak wordt met andere woorden in het eigen nest gezocht.

huiselijk en ontheemd
Alles is dubbel in Harnas van Hansaplast. De ik-figuur houdt van Barend en vervloekt hem. Enerzijds was hij een ‘liegbeest’, ‘een weerzinwekkende rukker’ die zijn zus pestte en die stal als de raven. Anderzijds was hij vriendelijk, intelligent, grappig, interessant: ‘En dan dacht ik: godverdegodver, kon hij het ook helpen? Wij stammen uit hetzelfde buitenissige geslacht. Daardoor waren we niet in staat om het leven te slikken als zoete koek. Een gevolg en geen kwade opzet.’
Met die laatste woorden lijkt de vertelster een soort naturalisme te omarmen dat de persoonlijke verantwoordelijkheid kleiner acht dan het noodlot van afkomst en omgeving. Utrecht was die omgeving, en net als het gezin heeft die stad een determinerende invloed op het karakter van Barend en zijn zus. ‘Ik ben geen bloed-en-bodemfanaat, maar dat de plaats waar je opgroeit levenslang in al je vezels doorwerkt laat zich niet loochenen […] Naast schuldige landschappen bestaan er ook schuldige steden.’ Opnieuw wordt de verantwoordelijkheid niet bij het individu gezocht.
Het gezin en de stad, de twee fundamenten van Barends eigenaardigheid, komen samen in het familiehuis, gelegen in de Utrechtse binnenstad. Geen wonder dat dat huis de structuur bepaalt van de zoektocht die de ik-vertelster onderneemt. Na een entree, die het probleem en de mogelijke oorzaken aan de orde stelt, volgen zeventien hoofdstukken, die zowel in de titel als in de inhoud bijna allemaal rechtstreeks over het ouderlijk huis spreken. Titels als ‘Kantoorkamer’, ‘Gang’ en ‘WC’ worden afgewisseld met inboedelstukken als ‘Lijsten’ (de geschilderde portretten van de ouders) en ‘Envelop’ (met daarin het door een politieman gebrachte ‘proces-verbaal van een niet-natuurlijke dood’). De vertelster citeert Gerrit Komrij om deze structuur te verantwoorden:

‘Een huis heeft grote invloed op je denken. Je onderwerpen worden verdeeld over het aantal kamers dat er is. Zijn het allemaal langwerpige kamers, dan krijg je langwerpige gedachten. Zijn het corridorkamers, dan krijg je allemaal gedachten die op elkaar uitlopen.’ Bij Barend was die invloed veel fataler: zijn kamers bestonden in zijn gedachten alleen nog maar als zaken die hem konden worden afgenomen. Dat maakte die gedachten ontheemd zodat niemand er nog vat op kreeg.

VLADIMIR NABOKOV - DE BALLADE VAN LONGWOOD GLEN


Die zondagmorgen waren om halftien
Over de beek bij de glen twee wagens te zien.

In de eerste zat Art Longwood, plaatselijk bloemist,
Met zijn kinderen en vrouw (nu mevr. Deforest).

Een boswachter herkende in de wagen erna
De vader van Art, stiefvader en schoonpapa.

De drie ouden gingen te voet in de inham vooruit.
Art reed met zijn auto kalm door het girsende kruid.

De morgen was heerlijk, met prachtige wolken ginder, en
Uit de wagen verschenen stripboeken met kinderen.

Stille Art, die naar iets kon kijken met het geduld van een engel,
Zag een insect omhoogklimmen en wegvliegen van een stengel.

Pauline had astma, met een kruk liep Paul beter.
Leuke guiten waren het, maar ze renden voor geen meter.

‘Was er,’ zei de moeder tegen haar kreupele Paul,
‘Maar een man die je kon leren werpen met die bal.’

Stille Art pakte de bal en gooide hem omhoog.
Hij bleef hangen in een boom die zich net voorbij bewoog.

De statige groene pelgrim draaide zich om en hield halt.
Vergeefs wachtten de kinderen op een bal-die-valt.

‘In mijn bange jonge jaren klom ik nooit in bomen,’
Dacht Art, maar nu ging het er onverwijld van komen.

Nu en dan was zijn knie te zien of zijn mouw,
In een legpuzzel van groen en blauw.

Art Longwood klom en klauterde almaar door,
En op de vraag van de wind antwoordde het gebladerte ja hoor.

Wat een kronen van tuinen! Wat een stromen van licht!
Hoe bereikbaar de atmosfeer was! Hoe licht de vlucht!

Zijn gezin bleef de hele dag om de boom heen gaan.
Pauline concludeerde: ‘Papa klom hier vandaan.’

Niemand zag hoe de uitzinnige hemelse volken
De held die van de aarde kwam begroetten in de sneeuw van hun wolken.

Het begon Mevr. Longwood enigszins zorgen te baren.
Hij kwam maar niet beneden, was maar niet te ontwaren.

Er was iets veranderd aan de voet van de boom, meende zij.
De kinderen begonnen zich te vervelen. Paul werd gestoken door een bij.

De oude mannen kwamen informeren en keken omhoog naar hoe het kon,
Elk met vijf kaarten in de ene hand en in de andere een beker van karton.

Op de hoofdweg stopten auto’s, keerden, en
Waggelden over een hobbelige weg in de glen.

En opeens zat de boom vol getetter en getoeter,
Congresgangers, hengelaars, jongens met sproeten.

Anaconda’s meende er een, poema’s een ander,
En intussen bleven er mensen komen, allerhande:

Drie chirurgen, detectives, brandweermannen. In het dansen
Van de schaduw parkeerde een ambulance.

Een dronken grapjas was op de plek gearriveerd
om recht te doen geschieden met een touw en een geweer.

Onderzoekers, boomdeskundigen, allemaal waren ze daar,
En ook een raar bleek meisje met zigeunerhaar.

En van Kaap De Angst tot Kaap De Vleierij
Kopte elke krant: De man in de boom – waar is hij?

De aan de hemel gehechte eik (waarin menige uil gezeten
En maangoud gedruppeld had) werd gekapt; men moest en zou het weten.

Men vond wat spanrupsen, een rood gevlekte knikkergal
En een oud nest met een pas gelegde bal.

De stronk werd gelakt, er kwamen borden en hekken omheen te staan.
De behoefte kon tussen rozenstruiken en klimplanten worden gedaan.

Mevr. Longwood, na de dood van haar kinderen onbeschroomd,
Werd de bruid van wie een fotograaf had gedroomd.

En nu bezoeken de Deforests, met vier oude mannen,
Als gewone toeristen de glen,

Smikkelen van hun broodjes, kijken op en neer,
Vegen hun handen af en keren naar hun stadje weer.


*


Dit is een preparatoire voorpublicatie. Copyright © Nederlandse vertaling Huub Beurskens & Uitgeverij Koppernik, Amsterdam. In de loop van 2018 zal bij Uitgeverij Koppernik in een tweetalige en uitvoerig geannoteerde editie Vladimir Nabokov – Verzamelde gedichten verschijnen.

ALLAN GRAUBARD - DRIE KORTE VERHALEN

penseeltekening Rik Lina

Vertaald uit het Amerikaans door Laurens Vancrevel

Er is een land ....

Er is een land dat veel te weinig wordt bezocht en waar nooit iets gebeurt. Het is er zo rustig als een graf, en met dezelfde sombere hoop als van een graf. Zijn bewoners vinden dat normaal, ze wensen  vooral de onschendbaarheid van hun isolement te behouden, iets dat even vreemd als intrigerend is. Ze weten dat ook zelf wel; ze zijn niet dom. In feite maakt dat de stilte die hen omgeeft – in fel contrast met wat zij zelf nooit doen, want er wordt daar nooit iets gedaan buiten het normale – zo uniek. Dat kun je zien aan de wijze waarop zij glimlachen; aan de eenvoud waarmee zij hun lippen van elkaar doen, net ver genoeg om de rand van hun tanden te tonen.

Vlijtig zijn zij zeker, maar niet zoals bij een competitie. Ze zouden hun dagelijkse plichten het liefst beperken tot het strikt noodzakelijke, zonder franje. Hun werk als boer, herder, wever, visser en dergelijke wordt aanvaard als een zaak die nu eenmaal nodig is voor het bestaan. Hun vermaak, hun feesten zijn overeenkomstig. Het is niet zo dat matigheid voor hen een ethisch principe is – ik geloof niet dat zij het alledaagse leven ooit in termen van een moreel concept beschouwen.

Het is dus niet vreemd dat verveling  voor hen niet van belang is. Als zij die voelen, dan zijn zij zich ervan bewust. Die gaat daarna voorbij. Ze zeggen dat verveling hun ‘kindje’ is, een van de metaforen van hun taal. Want terwijl die verveling hun meer het gevoel geeft dat ze kinderen zijn, staan zij er niet lang bij stil. Maar de liefde, waaraan wij andere culturen schijnen te beoordelen – haar intensiteit, haar hartstocht, haar alomtegenwoordigheid, haar langdurige bezieling en haar verfijning – die is een belangrijk iets. Maar of zij zich éénmaal voordoet in hun leven, dan wel verdwijnt of terugkomt, éénmaal of vele malen, dat is niet iets om bij stil te staan. Dat is iets persoonlijks. Dus jaloezie, al is die zo nu en dan ontwrichtend, wordt aanvaard. Even goed ben ik daar nooit iemand tegengekomen die zijn begeerte naar liefde om welke reden dan ook zou onderdrukken.

Huwelijk en geboorte worden er met dezelfde gelijkmatigheid beleefd, evenals ziekte en dood. Men betuigt een ander dan zijn gevoelens met zulk een mate van intimiteit dat de verschillen verdwijnen. Er is daar geen geloof in de cyclische aard van de tijd en evenmin in de rol van rituelen om de voortgang der dingen te bevorderen. Noch is men bevreesd dat er wat minder zal gebeuren dan al gebeurd is en zal blijven gebeuren van de ene generatie op de volgende, als men de invloed van de tijd niet in aanmerking neemt.

Misschien is dat het geheim dat mijn gedachten terugvoert naar dat land, wat ik er ook van vind als ik met mijn boot afkoers op de kleine haven die toegang geeft tot de hoofdstad.

Want mijn ervaringen zijn, en ook die van andere toeristen die door bedrevenheid of geluk  hun weg daar hebben weten te vinden, die zijn gewoonlijk identiek: een plotselinge duizelingwekkende ontlading, een gevoel te zijn aangekomen op een volmaakt leeg toneel in een leeg theater dat altijd leeg is geweest. Hoewel, niet helemaal leeg, want zodra de opwinding wegebt en bij elk spoor van de wens om te vinden wat we niet konden thuisbrengen, nemen de elementen de regie over: deze plek, die lagune, het oude klooster boven op de berg, het stroompje in het dal, de olijfgaard, de taveerne, de schoolbus in de ochtend, de korte regenbuitjes, de brandende zon, de geur van tijm, de diepe, lage strook lavendel, de vissersboten die binnenvaren of zee kiezen. En in de geest der dingen van hier doen zij niets meer of minder.

Er zijn geen onthullingen die dit land te bieden heeft. Maar elk jaar komen wij er terug en blijven er dan langer.

In dit land waar niets gebeurt.

Zonder dat je je erom bekommert om uit te zoeken waarom.

*


De uitvinding van de liefde

In het Metropolitan Museum te New York hangt in een gang tussen twee zalen waar massa’s mensen dagelijks doorheen stromen, een bijzonder schilderij. Het doek is niet goed belicht maar ook niet verborgen in de schaduw, en wegens de onopvallende plaats waar het hangt vereist het enige moeite om het goed te kunnen zien. Ik heb mij vaak afgevraagd of de conservator dat met opzet zo heeft gedaan, of dat hij – hetgeen meer dan waarschijnlijk is omdat het een schilderij betreft dat niet in de mode is – er eenvoudigweg geen andere plek voor had, en het aan personen zoals ik overliet voor wie het een bijzondere lading heeft.

Een scheepje, voortbewogen door twee roeiers, nadert een kleine inham, met traptreden die omhoog voeren naar een tempel uit de Oudheid. Twee beelden van gehurkte sfinxen flankeren de zijden van een verder lage kade. De nacht heeft met een gevarieerd en veelsoortig clair-obscur haar schrikbarende gewicht al over alles heen geworpen, behalve over de passagiers van de boot, de sfinxen en de tempel, die allemaal worden beschenen door een opvallend licht, zoals de binnenkant van een droog ooglid.

Dat contrast, dat bij wijle dwars door de stilte lijkt de snijden, dat wordt opgeroepen door de overheersende sfeer van het kunstwerk, biedt in een ander opzicht een aanwijzing die je op heel weinig schilderijen tegenkomt. Want ik kan plotseling het geluid van voetstappen horen, regelmatige stappen zonder haast, die naar de binnen gelopen boot toe gaan.

En dat was nog niet alles.

Want dan zwelt er, als volgens afspraak, een lang gutturaal gezoem aan, alsof de complete bevolking van alle nachtinsecten van het eiland tegelijk tot leven komt.

En uit de duister wordende schemer bloeit de fabelachtige loomheid op van dood en liefde. Dat bedoel ik precies zoals ik het schrijf, en dat is iets wat de schilder ongetwijfeld in gedachten had, en waarom hij niets aan het toeval overliet.

Slierten van gebladerte lijken langzaam naar voren te komen vanuit het warrige onderhout dat te zien is door het patina van de korrelige eindtoets. Hier en daar zijn er in gedempte hoge lichten andere verleidelijke dingen te zien: tussen de zwaar aangezette vastheid van twee boomstammen is er een van huiden vervaardigd zeil gespannen dat in feite volkomen menselijk lijkt en dat elke andere oorsprong afwijst. Wat lager, langs de rechterkant van de trappen, zweeft een nauwelijks te ontwaren vorm uit de floers die alles omgeeft; die vorm lijkt een krul van plukken geschroeid of bros haar. Daar vlakbij, geïnspireerd door een vlugge toets van de hand van de schilder, en niets anders dan dat, ligt het trillende lijfje van een klein kind dat wordt vastgedrukt door drie gieren die hun koppen diep in zijn buikje hebben gedrongen. Dat de gieren veel nauwkeuriger zijn getekend, misschien door een mesje te gebruiken, vermindert de vreemd opengesperde ogen direct daarboven van het slachtoffertje niet. Zijn prille leeftijd verhult het gelaat waarnaar zijn ogen kijken, want dat gelaat kan van niemand anders zijn dan van de schilder, in deze gesloten scène, als het ware zijn knappe, maar ook verontrustende portret.

Zijn het doodsbange ogen, verschrikkelijke ogen, spottende ogen, of kaatsen ze naar de wereld de kille, felle blik terug van een man voor wie alle hoop op liefde vervlogen is en die zichzelf toch niet de hulp van de illusie van een droeve maar ook gewenste uitwissing kan toestaan?

Andere manieren van zien strijden om erkenning in het complexe weefsel van het doek.

Net voor de geribbelde voet van de frontale zuilen van de tempel is een libel geschilderd, die daar lijkt te rusten alvorens weer verder te vliegen, maar die schijnbaar ook enigszins overdekt lijkt door de as van een niet zichtbare vulkaan; de libel is zo groot als een jachthond, weergegeven met de scherpte van een chirurg voor wie elke plotselinge misser ondenkbaar zou zijn. De gestippelde rug van de libel, die strak en schrikwekkend is, trilt als de zoemende snaar van een Oosterse santur.

Ik weet niet waarom de kunstenaar het insect juist voor de tempel heeft geschilderd, tenzij hij een verborgen fascinatie of een leitmotiv wilde tonen om gedurende enkele ogenblikken onze honger naar een afdoende verklaring uit te stellen, om die daardoor nog heftiger te maken; een verklaring die zou moeten komen vanuit de tempel, die halverwege de steile rots staat, met het wit van een droog ooglid te midden van die wervelende nacht.

Want de tempel, die zijn interieur voor de vluchtige blik verborgen houdt, biedt verder geen enkel aanknopingspunt. Nadat de oorsprong van het avontuur begonnen is, weerklinkt en echoot zijn leegte, om daarna weg te sterven; hij blijft in volledige stomheid achter, al te zwijgend, al te betekenisloos.

Wat de later komende smekelingen ook doen tussen die muren, welke rituelen ze daar volvoeren, welke muziek ze laten opklinken of zangen aanheffen, indien zij tenminste voor iets meer komen dan om er te picknicken, dat alles sluit elke mogelijke ontknoping uit.

Is het een raadsel uit de Oudheid, een duistere bedoeling die alleen door het meesterschap van de kunstenaar op waarde kan worden geschat? Ik weet het niet.

Maar wanneer ik mij afwend van het schilderij, nog even gefascineerd als gefrustreerd, valt een laatste aanwijzing mij op: de titel van het schilderij, die mij nooit had bevallen, die mij zelf altijd had geschokt, die luidt: De uitvinding van de liefde.

*


Die nacht...

Die nacht werden zij zo volkomen meegesleept dat zij tegen de ochtend niet meer wisten wie zij waren. Samen slapen, niet samen slapen, vanaf die tijd waren zij er alleen nog voor de ander. Het gaf niet dat ze de een of andere vakantie met iemand anders doorbrachten, weg van elkaar, of dat ze het erg vonden niet samen te zijn, of dat zij als blijk van hun onmatigheid terug kwamen, of liever dat ze die nacht maakten tot een van zweet doordrenkte gebeurtenis, vermengd met de geur van hun lichamen. Waar het om ging was dat ze opnieuw in elkaar vervlochten waren tot een ondeelbaar samengesmeed diorama van geven en nemen, en dat al het andere dan wegviel, hun de gelegenheid biedend om zich van schuld vrijgepleit te voelen – hun morele bijtende gif.

En zo geweldig was die bevrijding, zo pas door het geluk teweeg gebracht in hun hart, dat ze geloofden dat deze nooit zou ophouden; ze zouden niet toestaan dat het eindigde.

Zij realiseerden zich nauwelijks hoe grillig zelfs grote hartstochten zijn en hoe zeldzaam het was dat minnaars in de loop van een jaar geen geleidelijke verwijdering ondervinden.

Daarop terugkijkend, zegt zij bij zichzelf wat ook hij bij zichzelf zegt: dat het nu eenmaal daarop had moeten uitlopen; dat ze nu eenmaal feilbaar waren, en dat de verblinding, die zij heiligden met hun drang om voor de ander te doen wat zij voor zichzelf begeerden, wat te weinig aan inleving met de ander bezat, wat zo niet de voorlaatste prijs of een vorm van gevangenschap zou hebben betekend, dan wel een draaglijke verhouding, die niet langer of wat minder begeerlijk was dan die van hun vrienden en vijanden.

Dat is het lot van minnaars die gedreven worden door hun liefde om het beminnen zelf meer te beminnen dan de liefde die zij deelden in de tijd en de cadans van hun beminnen, zonder zich druk te maken over een ander of een andere tijd dan alleen deze tijd, deze nacht, toen liefde hen omsloot in het grote pathetische toneel van begeren zonder vergeving.


© 2017 Allan Graubard
____________________
De hier vertaalde korte verhalen van Allan Graubard (*1950, New York) werden ontleend aan zijn verhalenbundel A Crescent by any other name (Anon Editions, Flagstaff / New York, 2017).
Graubard is dichter, toneelschrijver en essayist. Zijn voornaamste boeken zijn: For Alexandra (poëzie, 1993), Woman Bomb Sade (toneel, 2009), Roma Amor (prozagedichten, 2010), And tell tulip that the summer (poëzie, 2011), Targets (prozagedichten, 2013). In Nederlandse vertaling verscheen van hem het gedicht Hippocampus (Brumes Blondes, Bloemendaal, 2011). Graubard werkt thans aan een boek over de mystieke beat-dichter Ira Cohen.