NINA BRUGGENWIRTH - NADEREND ONWEER

            1

Als achter coulissen oefent
de donder zijn stem. Of is
het de dood die ons de trom
slaat op de horizon?

Op de opkomende wolken
steigeren paarden en over
de randen kijken hun menners
alvast op de aarde neer.

Op de akkers groeit mals
de haver. Door hommels
beschommeld bloeit
de klaver in de wei.

De op de wolken
steigerende paarden
zijn deel van diezelfde
wolken, zoals de achter
de paarden stijgende
wolken deel zijn
van het kalme
grazen in de wei.


            2

Reeds mompelt de donder.
Nog luisteren op de horizon
zwarte leeuwen geeuwend
naar het koeren van het bos
            achter mijn rug.

Maar brult dat weldra
hard genoeg
uit zijn houtduiven
            terug?


            3

Over een wolkenrand schijnen nog wat goudstraalsels
waardoorheen het flitst. De lucht trekt grauw dicht.

Zelfs de wildkansel met de houten ladder biedt
geen zicht meer op beauties, vlindervleugelig,
halfbloot, die rond golden boys zich geilig
te gedragen wagen terwijl ze louter de tijd
behagen door zaads zaad om zaad te vragen.


            4

God boert. Wie duiven trainde
voor de zondvloed houde ze nu binnen.

Hoed u voor natte veren!
Als er al engelen bestaan, dan
donderen ze weldra geliquideerd
            naar beneden.


            5

Zo meteen begint het te hozen!
Weg met het tere en weeë van
Flora's rocococapriolenklonen! Weg
met het flauwroze der frambozen
en de pastelkleurpoederpatronen
der fladdermaarwataanicaroïden!

Leve de koele slagkracht der ionen.
Leve het bombarderen van die lieden
die regeren in de steden om er hun
beschavingshoogmis te celebreren.
Leve het executeren van een ieder die
behalve een handvol sprinkhanen of
wilde rijst aandacht voor zijn psyche vraagt!

Moge het onder arcaden, in portieken
vluchten of in kelders schuilen zinloos,
het gezonde huilender dan het dodelijk
zieke zijn en elk bericht ontwrichten!

____________________

Nina Bruggenwirth (1988) is architecte. De hier her en der bijgewerkte gedichtenreeks werd voor het eerst gepubliceerd in 2008 op het internet: http://ninabruggenwirth.blogspot.nl/

BREYTEN BREYTENBACH - OMZWERVING


wij zijn de rondtrekkende troubadours
mijn jonge vrienden, in deze winderige wereld
om onze teksten voor te lezen
voor een onzichtbaar publiek dat onze taal niet begrijpt

jullie moeten je niet van streek laten brengen
door het gestotter van machinegeweren
kom we verbeelden ons dat het de kaalwang katlagter-vogels zijn
                                                                  uit onze jeugd

laten we in een kring gaan staan
mijn jonge vrienden: toon mij nog eens
het omslag van mijn laatste boek
met bedenkingen, de foto die ik nooit
eerder had gezien, ah,
van dat kind met kaalgeschoren hoofd voor het oude huis
in de tuin der winden

ik herinner mij nu iets van die liefde
en dat ik een onzichtbare hond had
aan een touw om zijn nek
die Zen heette – jullie moeten niet
                                               gaan lachen mensen
misschien loopt hij hier nog ergens rond als zwerfhond
die blaft naar maanverstand en wind

gaan we de teksten nog repeteren?
jullie moeten je niet laten opjutten door het gestotter
van een vreemde taal
mijn jonge vrienden: ik zal elk gedicht
identificeren als eigen werk opgedragen aan Zen
want de dood is niet veel anders dan een tuin

als we elkaar in de ogen blijven kijken
mijn jonge vrienden, zullen we
                                               ons niet storen
aan het publiek dat de hond wegjaagt
of niet merkt dat de stenen ons keer
                                               op keer raken

en luister, dit wil ik nog zeggen:
                                               laat mij de slotzin uitspreken:
l’amour est un merdier de mouches
dat wil zeggen
liefde is een laken van vergeten
vliegen op een poepdoos


Breyten Breytenbach © 2017
vertaling uit het Afrikaans Laurens Vancrevel


WIEL KUSTERS - AVOND EN NACHT - DRIE GEDICHTEN


Evensong

En als dan de nachtmot
haar vluchten verduistert
adem ik langzaam
voor wie er nog luistert.

Ik hoor hoe ik wacht tot
licht door mijn raam suist.

Wil mij in de weg staan,
jij die diep in mij huist.



Nachtelijke hommage

Je slaapt alsof
je korrels nacht opraapt
en in een witste droom
te bleken legt.

Ik wil niet dat dit licht
jou stoort, dat jij
mij binnenkomen hoort,
je zuchtend wentelt
op een zij.

In jouw duister
treed ik en
ik luister

of zacht genoeg
mijn deur zich sluit,
langzaam langzaam,
nog iets verder,
verder verder

tot zij dicht.



Nocturne

Een streepje maanlicht valt over ons bed.
Dat wij ons leven danken aan een kier,
is wat ik van mijn godsbeeld heb gered.
De dag is ginder en de nacht is hier.

Als ik mijn arm verleg, verleg ik ook
het licht. Mijn linkerhand rust op jouw rug.
In mijn skelet roert zich nu knook na knook.

Ik denk aan onze kamer zonder ons.
Het raam staat open, het bed is afgehaald
en het gordijn hangt slordig uit zijn rail.

Dit niets, dat ik jouw rug bezwerend streel,
is door een alles overwegend licht bepaald.

Aan alle kanten hoor ik zijn gebons.

PIERRE KEMP - ZES GEDICHTEN


het licht is rond

Het licht is rond en rolt naar alle kanten
de bergen op en af, de dalen door,
de wezens in en uit en langs de planten
stijgt het de bomen in en gaat het alles voor.
Waarheen? Ik vraag dat niet, ik kom, ik ga,
omdat mijn handen en mijn voeten,
mijn ogen en mijn hart zo moeten
en ik het licht nu eenmaal zo versta.

*

dimensies

Totdat ik onder een boom ga staan
voor het veel te grote licht
en dan mijn handen saam moet slaan
om mijn veel te klein gezicht.

Totdat ik onder een ster ga staan
voor het veel te kleine licht
en daar nog mijn handen saam moet slaan
om mijn veel te groot gezicht.

*

schemer

Ik heb mijn moede ogen
van gisteren maar weer meegenomen
in de nieuwe dag.
Ik kon er zo moeilijk zonder komen,
na wat ik zag.
Al valt het licht ook op de rand van mijn hoed,
die schemer doet mijn ogen niet meer goed.
Er is wat anders met de zonneschijn,
ik kan er soms zo moeilijk nog kind bij zijn.

*

werkelijk licht

Als ik mijn handen wuif open en dicht
ben ik een vogel.
Doe ik mijn ogen open en dicht
ben ik een licht.
Maar komt dan een licht door mijn handen gegaan
en moet ik mijn ogen nederslaan
zo diep ik kan,
wat ben ik dan?

*

blauwte

Een groot blauw wandelt om de aarde
en ik wil mee, maar hoor met pijn
een stem, die wel haar sympathie niet spaarde:
eerst als uw schoenen blauwe bloemen zijn!
Nu weet ik, dat ik altijd hier moet blijven,
want ik loop immers in zwart leer,
dat praktisch zich laat blinken door te wrijven.
Ik ben geen bloem en soms alleen een heer.

*

heraldiek

Het leven in een zwarte kat glijdt van een stoep
en springt het leven in een vogel na,
die zich stort in een boom vol verse zon.
Dit zijn dus mijn kleuren voor vandaag,
met zwart en groen
zal ik het moeten doen.
Niet dat ik mij daarom beklaag.
Er waren er vroeger in het blazoen
van menig heer
niet meer.


© Copyright Uitgeverij Vantilt / Pierre Kemp Stichting
_______________________
Pierre Kemp (1886-1967) kreeg de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs voor zijn oeuvre. In september 2017 verschijnt bij Uitgeverij Vantilt Het regent in de trompetten - de mooiste gedichten van Pierre Kemp, gekozen door Wiel Kusters en Ingrid Wijk.