MOMENTA

RANDOPMERKINGEN
***
H.C. ten Berge - DE SOCIAALDEMOCRATEN - kroniek in een notendop


Zomer 2010. De binnenkort te verwachten regering van ultrarechtse signatuur voorspelt weinig goeds. De gluiperige CDA-groepering – grootste verliezer van de verkiezingen – heeft het toch weer geflikt, en blijft in het centrum van de macht, samen op één kussen met de autoritair geleide populisten van Wilders en de sociaal amorfe VVD, een conservatief-liberale partij die weldenkende liberalen al jaren in de hoek heeft gedreven en nog uitsluitend de belangen van het grote geld behartigt. Men wil de gratis schoolboeken voor middelbare scholieren afschaffen, de cultuur zal zwaar worden gekort, subsidies worden geschrapt. Scheppende kunstenaars, musea, theatergezelschappen en (orkest)musici zullen ervan lusten. De lagere inkomens (dus) ook. Of men Wilders heimelijk iets meer heeft toegeschoven is op dit tijdstip niet bekend.
       De sociaaldemocraten hebben als altijd dom gemanoeuvreerd, zijn overal ingestonken en buiten spel gezet. Niets geleerd van wat de voormalige premier Den Uyl in 1977 is overkomen. De verraderlijkheid van het katholieke deel van het CDA is nog steeds niet tot de sociaaldemocratische koppen doorgedrongen. De hooggeschoolde achterban van de PvdA ten spijt laat men zich steeds weer de kaas van het brood eten, is het niet door de ene partij dan wel door een andere. Wat maakt hen toch zo slap, naïef en goedgelovig? Waar is de ruggengraat gebleven? Het verraad van Kok (en zijn Engelse collega Blair van New Labour) werkt onverminderd door. De heren hebben namens hun niet-geraadpleegde aanhang het socialisme al jaren geleden doodverklaard. Bij gebrek aan beter is menige kiezer de partij knarsetandend blijven steunen. Maar dat kan niet lang zo doorgaan. Stap voor stap zal de suïcidale, sociaaldemocratische partij gedecimeerd worden. Zonde van al het talent en potentieel dat zij bezit.

Het gebrek aan een ruggengraat en een vastberaden optreden herinnert eraan hoe de Duitse sociaaldemocratische partij na 1930 zienderogen terrein verloor en de greep op snel groeiende, criminele groeperingen kwijtraakte. Dat was al in de jaren twintig begonnen met de toelating van paramilitaire organisaties zoals de SA en, vanaf 1926, de SS. Onbegrijpelijk dat een regering gewapende en geüniformeerde groepen tolereerde die zich openlijk als bedreigende factor in de samenleving manifesteerden. Men liet toe dat de staat en de vigerende regeringsvorm stap voor stap door bruut opererende knokploegen werden ondermijnd. Men verzuimde een grens te trekken en de nationale Wehrmacht als enige gewapende organisatie te legitimeren, een leger dat het opkomende subversieve totalitarisme een halt had kunnen toeroepen. Waarom dat niet is gebeurd blijft een raadsel, al weten we dat de toenmalige regering tussen twee vijanden beklemd zat: de sterke communistische partij aan de ene kant, de reactionair-populistische NSDAP aan de andere. Toch vormt dat geen excuus voor het bangelijke en weinig doortastende gedrag van de sociaaldemocratische vertegenwoordigers in de steden, deelstaten en overkoepelende landsregering. Altijd bereid tot compromissen, altijd aarzelend en wankelmoedig of tegemoetkomend tot het vel hun over de neus werd getrokken, en de macht op sluwe en brute wijze door misdadige megalomanen werd gekaapt.
       Ik werd hiermee geconfronteerd toen ik aan De stok van Schopenhauer werkte, een documentaire roman die zich grotendeels in het Duitsland van 1900 tot 1933 afspeelt. Een van de hoofdfiguren, de filosoof en publicist Theodor Lessing, ervoer aan den lijve dat hij, als lid van de sociaaldemocratische partij, aan zijn lot werd overgelaten toen hij in 1925 (!) tijdens een antisemitische hetze zijn baan als hoogleraar in Hannover verloor. Het stadsbestuur, dat de Technische Hogeschool beheerde, zat met de ‘lastige’, want kritische Joodse geleerde in zijn maag. Het wrong zich in bochten om het ontslag te laten doorgaan, de opruiende docenten zoveel mogelijk met rust te laten, de fascistische studentenorganisatie niet hard aan te pakken en de zaak door te schuiven naar de socialistische Minister van Onderwijs van de Weimar-regering. De burgemeester bedacht zelfs een doortrapte truc om de hoogleraar weg te werken (wat alleen door diens oplettendheid mislukte). In plaats van een grens te stellen zocht men wanhopig naar een slap compromis dat niemand zou bevredigen. Kortom, er werd gesjoemeld en gemarchandeerd bij het leven, en dat alles ten koste van de weerbare filosoof die door een overwegend vijandige pers werd vermorzeld.
Slap en laf zijn de woorden die zich telkens aandienen zodra de sociaaldemocratie in het geding is en haar vertegenwoordigers geacht worden een krachtige houding te tonen (zonder zich bij de neus te laten nemen).

Dure woorden

Nu de naam van Tony Blair toch gevallen is, kan een opmerking over zijn ontluisterende gedrag als ex-premier van de Labourregering niet achterwege blijven. Dat gedrag heeft menigeen verbaasd die meende dat een sociaaldemocraat zich niet als een geldwolf zou kunnen ontpoppen. Wekten de commissariaten van onze oud-premier Kok al de nodige ophef (terwijl die zich vergelijkenderwijs op betrekkelijk bescheiden schaal voordeden en voornamelijk een economische rancune opwekten), ze vallen in het niet bij de financiële schroklust die Blair tentoonspreidt. Eén voorbeeld kan volstaan: voor een speech van twaalf minuten als gastspreker vroeg hij onlangs € 459 000,-. U leest het goed: vierhonderd negenenvijftigduizend euro! Een Zweeds congres van voedseldeskundigen achtte de tot expert gepromoveerde Blair de ideale spreker over de mondiale problemen aangaande voeding en gezondheid. De organisatie was bereid een honorarium van € 300 000,- op tafel te leggen. Hoger kon men niet gaan. De toch al berooide Blair vond dat niet genoeg, hij zou nog dieper in de armoede gedrukt worden. Het geëiste honorarium voor een optreden van twaalf minuten zou slechts € 38 250,- per minuut opleveren. Elke komma van deze feestredenaar was goud waard, dat moest men goed beseffen. En dat hij niet wilde onderdoen voor oud-president Bill Clinton, die na zijn politieke carrière miljoenen dollars als gastspreker vergaarde, was al even vanzelfsprekend. In dat licht gezien had laatstgenoemde bij zijn vertrek uit het Witte Huis het tafelzilver niet hoeven stelen*.

* Nader beschouwd steekt Clinton schraaltjes af bij Blair. Een lezing voor een Microsoftconferentie in 2014 leverde slechts $ 225 000,- op, wat zijn gemiddelde per minuut op $ 5113,64 bracht. Voor tussentijdse bijval en langdurige lachsalvo’s wordt het tarief geheim gehouden. Zoals Michael Tomasky over Bill en Hillary Clinton opmerkt is het lastig vast te stellen ‘wat zij in hemelsnaam te zeggen hebben in ruil voor zo’n bedrag.’ (NY Review of Books, nr. 11, 2015) Ter vergelijking slechts dit: voor een lezing van anderhalf uur krijgt een auteur bij ons gemiddeld € 250,- geboden.

Zomer 2015. De Britse Labourparty geeft te kennen dat zij een linksere koers zou kunnen of moeten varen gezien het recente verkiezingsdebacle dat de partij bijna halveerde en de leider tot aftreden dwong. De omschrijving van dit voornemen laat alles nog open, zoals het een sociaaldemocratische partij betaamt. Ineens stond daar Tony Blair weer op het podium om in een fel betoog een linkse koers onder Jeremy Corbyn te verwerpen. Misschien zag hij in een koortsdroom hoe zijn welverdiende kapitaal zou kunnen verdampen, indien het socialisme een wedergeboorte beleefde. Zijn woorden waren even misplaatst als voorbarig; zijn optreden straalde onoprechtheid uit, terwijl hij als politieke persoonlijkheid een totaal verbleekte indruk wekte. Welke kwaliteiten hij voorheen gedemonstreerd mag hebben, zijn neergang nu was evident en zelfs pijnlijk om te zien.
       Hoe diep kan een sociaaldemocraat zinken? Hoe onbeschaamd kan hij optreden? En wie zijn de idioten die deze geldwolf nog uitnodigen?

Voorjaar 2017. In Nederland is het doek voor de sociaaldemocraten gevallen. De verkiezingen hebben de partij zo goed als onthoofd, nadat de leden en de leiding al eerder hun fractievoorzitter in het parlement een dolk in de rug hadden gestoken. De PvdA is een splinterpartij geworden, terwijl de neergang van buitenlandse zusterpartijen moeilijk lijkt te stuiten. Welke gevolgen heeft het gigantische verlies voor de verantwoordelijke leiders gehad? Zijn ze onmiddellijk afgetreden, zoals het politieke leiders in westerse democratieën betaamt? Een retorische vraag. Na zijn partijgenoot Samson vlak voor de verkiezingen te hebben onttroond en nu zelf te zijn afgestraft, is de verliezende lijsttrekker Lodewijk Asscher gewoon blijven zitten. Zijn houding en gedrag zijn laakbaar. Het goede voorbeeld van Duitse collega’s (die veel geringere verliezen boekten) lapt hij aan zijn laars. Voor de slonzige en schadelijk optredende partijvoorzitter geldt hetzelfde: slechts onder zware druk maakt de weinig representatieve truiendrager Spekman plaats voor iemand anders. Maar nog niet meteen! Een beetje traagheid kan geen kwaad. Waarom zouden de zaken stevig aangepakt worden als deze falende voorzitter pas in de herfst van 2017 denkt op te stappen? Het is de sociaaldemocratie ten voeten uit: afgeserveerd, maar weer niets geleerd. Het mankeert er nog aan dat Asscher en de zijnen zich met een natte vinger laten lijmen en – in Haags jargon – ‘hun verantwoordelijkheid nemen’ om een regering met neo-liberalen en rechtse christendemocraten mogelijk te maken.


[juni 2017]


***


Huub Beurskens - de late kitaj


R.B. Kitaj, The Studio Where I Died, 2005

De academische beschouwing van Martin Roman Deppner, zoals die in vertaling op Het Moment is opgenomen, werd geschreven kort voor het jaar 2000, dus zeker ruim acht jaar voordat R.B. Kitaj in Los Angeles een einde aan zijn leven maakte. Weliswaar is de tekst van Deppner van ná Kitajs overzichtstentoonstelling in de Londense Tate Gallery, een expositie die flink wat negatieve kritiek in de Engelse pers opleverde (Deppner refereert eraan), maar het werk waar het in ‘Het spoor van de Ander in het werk van R.B. Kitaj’ om gaat is, met onder meer Land of Lakes, The Sensualist en, voorop, If Not, Not, duidelijk van vrij ver vóór de Tate War, zoals Kitaj de affaire zelf betitelde.
            Deppners essay is een evident wetenschappelijke, cultuurhistorische (en daarmee ook o.a. filosofische en theologische) benadering van Kitajs ‘vooroorlogse’ werk. Boeiend (en derhalve als academische tekst toch te lezen op Het Moment) is het vanwege de implicaties aangaande het joodse denken die Kitajs werk kennelijk heeft of kan hebben. En vanwege de daar voor mij uit voortkomende vraag naar de relatie tussen theorie en kunst of kunstenaar. Een artistiek kritische studie is het echter (derhalve) allerminst.
            In het akelige licht van zijn Tate War, die volgens Kitaj zelf ook debet was aan de onverwachte dood van zijn vrouw, ontwikkelt zich bij de schilder een opstandige verbetenheid die, eerlijk gezegd, beeldend gezien weinig fraais en krachtigs meer oplevert. Zijn laatste periode doet in bepaald opzicht denken aan die van de Oekraïense schrijver Nikolaj Gogol, waarover Vladimir Nabokov opmerkte: ‘Een schrijver is wég als hij geïnteresseerd raakt in vragen als “Wat is kunst?” en “Wat is de taak van de kunstenaar?”’
            Kitaj gaat in de laatste veertien jaar van zijn leven op weg naar zijn Tweede diasporistische manifest, dat kort voor zijn dood zal verschijnen en waarin de benaming ‘diasporistisch’ zo goed als volledig is vervangen door ‘Joods’: vrijwel opmerking na opmerking hamert hij erop dat hij een Joodse schilderkunst wil uitvinden en ‘het tegenovergestelde van antisemitisme’ wil schilderen, waarbij hij zijn overleden Sandra tot Shekhina promoveert, het vrouwelijke aspect van God.
            Een en ander is, in heel zijn ‘Joodse kwestie’, stukken nobeler en interessanter dan ik het hier kan doen voorkomen. Maar qua schilderpraktijk levert dat beelden op van een estheet die, tegen zijn geaardheid in, probeert expressief losjes over te komen, met helaas vormen en voorstellingen tot gevolg die iets geforceerd onhandig puberaals hebben. Er valt vast iconologisch, filosofisch of theologisch nog heel wat behartenswaardigs over te zeggen, maar als groot bewonderaar  en liefhebber van Kitajs kunstwerken als Where the Railrood Leaves The Sea (1964), Walter Lippmann (1966), Erie Shore (1966), Smyrna Greek (1976-77) en If Not, Not (1975-77) – in mijn ogen schilderkunstige meesterwerken – is het overgrote deel van het werk uit zijn laatste periode artistiek kwalitatief mediocre of nog minder, helaas.
            Zou het komen doordat Kitaj te veel las en dacht? Ik hou niet van kunstenaars die niet genoeg lezen en denken. Een kunstenaar, ook een beeldend kunstenaar, mag best of moet misschien zelfs interesse hebben in intellectualistische kwesties. En hij moet ook over zijn eigen werk durven, kunnen en willen reflecteren. Maar het lijkt erop dat Kitaj dat lezen en denken en geloven veel belangrijker is gaan vinden dan de (eruit voorkomende) resultaten van zijn artistieke handelen, dat het schilderwerk dienstbaar is geworden aan lezen, denken en geloof, alsof hij diepgaande theoretische analyses als die van Deppner en het joodse denken omgekeerd theoretisch heeft willen vertalen voor zijn op zich toch stokdove kwasten en penselen.  Daar heeft iemand uiteraard het volste recht toe. Maar dan ontstaat er wel machteloos en krachteloos artistiek prulwerk. ‘God is een slecht stijlprincipe,’ aldus de intellectalistische Duitse dichter Gottfried Benn in Lebensweg eines Intellektualisten (1934), waarin hij ook nog opmerkt: ‘Als je religieus wordt, verslapt de uitdrukking.’
R.B.Kitaj, Zelfportret (naar Masaccio), 2005

Het blijft overigens de vraag of Kitaj ook zonder Tate-oorlog hier zou zijn beland en door zelfverstikking aan zijn einde zou zijn gekomen. Ik meen al in meerdere werken van rond 1990 een slodderigheid te zien die geen teken van nieuw artistiek elan is, spijtig genoeg.

- Huub Beurskens, 14 juni 2016


 
De Gids (nr.3, 2013) signaleert Het Moment:

Het siert Benno Barnard dat hij bij het hernemen van zijn stuk ‘Ons groot nationaal dichtertje’ uit 1999 nogal wat woorden terugneemt betreffende het rooms-katholicisme en zijn clerus. ‘Als ik op mijn tenen ga staan, ben ik in vergelijking met hen hooguit een fatsoenlijke burgerman,’ schrijft hij over ‘al die nonnen en paters die lesgeven in de brousse of die weggegooide kinderen uit de goten oprapen’.
         Ook rehabiliteert hij bijna anderhalf decennium later Guido Gezelle als dichter. Hij citeert strofen uit een Gezellegedicht over de stoomtrein en noemt het ‘grootse, bevlogen, woedende, angstige, apocalyptische en buitengewoon visuele dichtkunst. (…) Dit gedicht baart gedachte na gedachte over zwakheid en genie van de mens, over industrie, vooruitgangsoptimisme (…)’.
         In 1999 heet het nog dat gedichten als ‘Het stoomgevaarte’ hem ‘om de oren’ zingzangen dat hij er ‘soezerig’ van wordt. Ze doen hem wegdommelen en dromen ‘van straatrumoer, discotheken en een autobom!!’
         Van dat laatste heeft Benno Barnard inmiddels terecht zelf het ontstekingsmechanisme onklaar gemaakt, maar wat hij in 1999 heeft aan te merken op de poëzie van Gezelle, het ‘ondoordenkende’ ervan of het ontbreken aan zelftwijfel en -reflectie erin, blijft deel uitmaken van de bedenkingen die ik zelf bij Gezelle’s dichtkunst heb, zeker in vergelijking met die van de, ook door Benno Barnard ten tonele gevoerde andere negentiende-eeuwse priester-dichter, Gerard Manley Hopkins. Prijzen moest en wilde ook Hopkins, maar hij schreef geen gedichten om van zijn overtuiging te getuigen maar om die te veroveren in de hoop op behoud ervan, telkens opnieuw, tegen de keer van angst en twijfel. Hopkins worstelt in zijn poëzie, zeker in zijn zogenaamde ‘terrible sonnets’, als met een engel, en dat je daar mank van kunt raken weten we al sinds Genesis. Elke engel – aldus Rilke naderhand – is schrikwekkend. Behalve die in de dichtkunst van Gezelle?

        hb 12.04.2013

Zo te zien staat er in allebei mijn stukken wel iets waars.
   In het eerste opstel bewonder ik de vorm en bekritiseer ik de inhoud van Gezelles poëzie; in het tweede bekritiseer ik vooral mezelf, want lieve help, wat een boel arrogante onzin slaat een mens in de loop van zijn leven toch uit – en dan doel ik allereerst op de behaagzieke, au fond conformistische toon van mjn gebabbel over het katholicisme. De zelfgenoegzaamheid van schrijvers! Enfin. 
   Gezelle is een grote vogel, maar hij lijkt inderdaad de duisternis van Hopkins te missen.

        bb 12.04.2013