MOMENTA

RANDOPMERKINGEN

de late kitaj


R.B. Kitaj, The Studio Where I Died, 2005

De academische beschouwing van Martin Roman Deppner, zoals die in vertaling op Het Moment is opgenomen, werd geschreven kort voor het jaar 2000, dus zeker ruim acht jaar voordat R.B. Kitaj in Los Angeles een einde aan zijn leven maakte. Weliswaar is de tekst van Deppner van ná Kitajs overzichtstentoonstelling in de Londense Tate Gallery, een expositie die flink wat negatieve kritiek in de Engelse pers opleverde (Deppner refereert eraan), maar het werk waar het in ‘Het spoor van de Ander in het werk van R.B. Kitaj’ om gaat is, met onder meer Land of Lakes, The Sensualist en, voorop, If Not, Not, duidelijk van vrij ver vóór de Tate War, zoals Kitaj de affaire zelf betitelde.
            Deppners essay is een evident wetenschappelijke, cultuurhistorische (en daarmee ook o.a. filosofische en theologische) benadering van Kitajs ‘vooroorlogse’ werk. Boeiend (en derhalve als academische tekst toch te lezen op Het Moment) is het vanwege de implicaties aangaande het joodse denken die Kitajs werk kennelijk heeft of kan hebben. En vanwege de daar voor mij uit voortkomende vraag naar de relatie tussen theorie en kunst of kunstenaar. Een artistiek kritische studie is het echter (derhalve) allerminst.
            In het akelige licht van zijn Tate War, die volgens Kitaj zelf ook debet was aan de onverwachte dood van zijn vrouw, ontwikkelt zich bij de schilder een opstandige verbetenheid die, eerlijk gezegd, beeldend gezien weinig fraais en krachtigs meer oplevert. Zijn laatste periode doet in bepaald opzicht denken aan die van de Oekraïense schrijver Nikolaj Gogol, waarover Vladimir Nabokov opmerkte: ‘Een schrijver is wég als hij geïnteresseerd raakt in vragen als “Wat is kunst?” en “Wat is de taak van de kunstenaar?”’
            Kitaj gaat in de laatste veertien jaar van zijn leven op weg naar zijn Tweede diasporistische manifest, dat kort voor zijn dood zal verschijnen en waarin de benaming ‘diasporistisch’ zo goed als volledig is vervangen door ‘Joods’: vrijwel opmerking na opmerking hamert hij erop dat hij een Joodse schilderkunst wil uitvinden en ‘het tegenovergestelde van antisemitisme’ wil schilderen, waarbij hij zijn overleden Sandra tot Shekhina promoveert, het vrouwelijke aspect van God.
            Een en ander is, in heel zijn ‘Joodse kwestie’, stukken nobeler en interessanter dan ik het hier kan doen voorkomen. Maar qua schilderpraktijk levert dat beelden op van een estheet die, tegen zijn geaardheid in, probeert expressief losjes over te komen, met helaas vormen en voorstellingen tot gevolg die iets geforceerd onhandig puberaals hebben. Er valt vast iconologisch, filosofisch of theologisch nog heel wat behartenswaardigs over te zeggen, maar als groot bewonderaar  en liefhebber van Kitajs kunstwerken als Where the Railrood Leaves The Sea (1964), Walter Lippmann (1966), Erie Shore (1966), Smyrna Greek (1976-77) en If Not, Not (1975-77) – in mijn ogen schilderkunstige meesterwerken – is het overgrote deel van het werk uit zijn laatste periode artistiek kwalitatief mediocre of nog minder, helaas.
            Zou het komen doordat Kitaj te veel las en dacht? Ik hou niet van kunstenaars die niet genoeg lezen en denken. Een kunstenaar, ook een beeldend kunstenaar, mag best of moet misschien zelfs interesse hebben in intellectualistische kwesties. En hij moet ook over zijn eigen werk durven, kunnen en willen reflecteren. Maar het lijkt erop dat Kitaj dat lezen en denken en geloven veel belangrijker is gaan vinden dan de (eruit voorkomende) resultaten van zijn artistieke handelen, dat het schilderwerk dienstbaar is geworden aan lezen, denken en geloof, alsof hij diepgaande theoretische analyses als die van Deppner en het joodse denken omgekeerd theoretisch heeft willen vertalen voor zijn op zich toch stokdove kwasten en penselen.  Daar heeft iemand uiteraard het volste recht toe. Maar dan ontstaat er wel machteloos en krachteloos artistiek prulwerk. ‘God is een slecht stijlprincipe,’ aldus de intellectalistische Duitse dichter Gottfried Benn in Lebensweg eines Intellektualisten (1934), waarin hij ook nog opmerkt: ‘Als je religieus wordt, verslapt de uitdrukking.’
R.B.Kitaj, Zelfportret (naar Masaccio), 2005

Het blijft overigens de vraag of Kitaj ook zonder Tate-oorlog hier zou zijn beland en door zelfverstikking aan zijn einde zou zijn gekomen. Ik meen al in meerdere werken van rond 1990 een slodderigheid te zien die geen teken van nieuw artistiek elan is, spijtig genoeg.

- Huub Beurskens, 14 juni 2016


 
De Gids (nr.3, 2013) signaleert Het Moment:

Het siert Benno Barnard dat hij bij het hernemen van zijn stuk ‘Ons groot nationaal dichtertje’ uit 1999 nogal wat woorden terugneemt betreffende het rooms-katholicisme en zijn clerus. ‘Als ik op mijn tenen ga staan, ben ik in vergelijking met hen hooguit een fatsoenlijke burgerman,’ schrijft hij over ‘al die nonnen en paters die lesgeven in de brousse of die weggegooide kinderen uit de goten oprapen’.
         Ook rehabiliteert hij bijna anderhalf decennium later Guido Gezelle als dichter. Hij citeert strofen uit een Gezellegedicht over de stoomtrein en noemt het ‘grootse, bevlogen, woedende, angstige, apocalyptische en buitengewoon visuele dichtkunst. (…) Dit gedicht baart gedachte na gedachte over zwakheid en genie van de mens, over industrie, vooruitgangsoptimisme (…)’.
         In 1999 heet het nog dat gedichten als ‘Het stoomgevaarte’ hem ‘om de oren’ zingzangen dat hij er ‘soezerig’ van wordt. Ze doen hem wegdommelen en dromen ‘van straatrumoer, discotheken en een autobom!!’
         Van dat laatste heeft Benno Barnard inmiddels terecht zelf het ontstekingsmechanisme onklaar gemaakt, maar wat hij in 1999 heeft aan te merken op de poëzie van Gezelle, het ‘ondoordenkende’ ervan of het ontbreken aan zelftwijfel en -reflectie erin, blijft deel uitmaken van de bedenkingen die ik zelf bij Gezelle’s dichtkunst heb, zeker in vergelijking met die van de, ook door Benno Barnard ten tonele gevoerde andere negentiende-eeuwse priester-dichter, Gerard Manley Hopkins. Prijzen moest en wilde ook Hopkins, maar hij schreef geen gedichten om van zijn overtuiging te getuigen maar om die te veroveren in de hoop op behoud ervan, telkens opnieuw, tegen de keer van angst en twijfel. Hopkins worstelt in zijn poëzie, zeker in zijn zogenaamde ‘terrible sonnets’, als met een engel, en dat je daar mank van kunt raken weten we al sinds Genesis. Elke engel – aldus Rilke naderhand – is schrikwekkend. Behalve die in de dichtkunst van Gezelle?

        hb 12.04.2013

Zo te zien staat er in allebei mijn stukken wel iets waars.
   In het eerste opstel bewonder ik de vorm en bekritiseer ik de inhoud van Gezelles poëzie; in het tweede bekritiseer ik vooral mezelf, want lieve help, wat een boel arrogante onzin slaat een mens in de loop van zijn leven toch uit – en dan doel ik allereerst op de behaagzieke, au fond conformistische toon van mjn gebabbel over het katholicisme. De zelfgenoegzaamheid van schrijvers! Enfin. 
   Gezelle is een grote vogel, maar hij lijkt inderdaad de duisternis van Hopkins te missen.

        bb 12.04.2013